De geschiedenis van een pseudoniem

 

In de weken voor de verschijning van mijn roman Het einde van de eeuwigheid plaats ik elke dag een stukje over de totstandkoming ervan. Dit is het zestiende stukje.

16.

De geschiedenis van een pseudoniem

Halverwege de jaren zeventig verschenen bij Uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam in drie jaar tijd zes boeken van mijn hand. Twee romans en vier dichtbundels. Ik werkte hard, schreef meestal van zeven uur ’s avonds tot vier uur ’s nachts en ging dan de stad in om wat te drinken. Dikwijls kwam ik mijn lief om half acht ’s morgens op de trap tegen als ik naar de slaapkamer ging. Zij vertrok om acht uur naar de Academie voor Beelden Kunsten Sint Joost in Breda.

Ik schreef onder een pseudoniem: Tymen Trolsky. De reden daarvoor was verlegenheid en angst. Ik wist niet goed wat ik aan mijn boeken moest toevoegen. Daarnaast vond ik het pretentieus om me na enkele boeken voor schrijver of dichter uit te geven. Ik schreef en dat was alles. Ik wilde niet geïnterviewd worden en ook niet optreden. Aandacht van de pers en onnodige activiteiten rondom het schrijven zouden me alleen maar afleiden. Daar kwam bij dat ik niet nog meer wilde vervreemden van mijn familie en vrienden. Ik had zeven jaren op een internaat doorgebracht en nam langzaamaan de karaktertrekken van een zonderling aan. Daar wilde ik vanaf. Ik wilde voor normaal doorgaan. Maar ik had ook weinig tijd. Ik gaf les als leraar Nederlands, maakte reizen samen met Annemiek, mijn lief, en schreef. Wellicht speelde ook mijn romantische inborst een rol: ik had over een Duitse schrijver gelezen die in Mexico leefde en schreef onder het pseudoniem B. Traven. Niemand slaagde erin achter zijn ware naam te komen. Hij schreef meerdere boeken, twee romans werden bekend: Das Totenschiff en Der Schatz der Sierra Madre. Hij zou een anarchist zijn die Duitsland was ontvlucht om aan executie te ontsnappen. Aan zijn pseudoniem kleefde iets altruistisch: onbekend blijven om goed werk te kunnen maken. Niet op de voorgrond willen staan: het boek is belangrijker dan de mens erachter. De kwaliteit van het geschrevene niet bedelven onder persoonlijke humbug.

Later zou ik nog een tweede pseudoniem gebruiken: Artur Raven. Dat was een knipoog naar B. Traven. Artur Raven klonk bijna als A. Traven. Op het seminarie had ik ook al een pseudoniem: Philostorgos. Ik ben vergeten waarom ik die naam koos. Het is een eigen, Grieks woord met de betekenis: hij die graag voor stoorzender speelt.

Tussen 1976 en 1990 publiceerde ik geen boeken, op een kleine bibliofiele dichtbundel na. Het eerstvolgende boek, De weg van de regen, dat in 1990 verscheen, publiceerde ik onder eigen naam. In Brabantia, een cultureel tijdschrift, was al eerder een foto van mij verschenen waarop ik bij een graf sta: het graf van Tymen Trolsky. Ik had besloten geen gebruik meer te maken van dat pseudoniem of enige andere schuilnaam. Ook nam ik uitnodigingen aan om op te treden. Voordien gaf een vriend zich voor mij uit en trad onder mijn naam (mijn pseudoniem) op.

In 1994 gaf De Bezige Bij de roman De kleine jongen en de rivier uit. Dat was deel 1 van Het wolfsbit, maar dat verzweeg ik. Pas als ik meerdere delen had geschreven, zou ik naar buiten brengen dat ik een cyclus wilde schrijven. Ik leverde enkele jaren later Het einde van de eeuwigheid in. Het boek lag een jaar bij de uitgever maar de directeur Albert Voster die besloten had elk boek dat De Bezige Bij uitgaf, zelf te lezen, maar daar geen tijd voor had, stelde de beslissing het uit te geven steeds uit. Toen ik aangaf dat ik niet langer wilde wachten, kreeg ik veertien dagen later het bericht dat het boek niet uitgegeven zou worden.

Uitgever Martin Ros die na een herseninfarct en moeizaam herstel was weggegaan bij Uitgeverij De Arbeiderspers en zich als redacteur verbonden had aan Uitgeverij Aspekt in Soesterberg, bezocht een boekenmarkt in Tilburg en hoorde van een met mij bevriende dichter dat ik een onuitgegeven roman op de plank had liggen. ‘Stuur dat boek maar naar mij,’ zei Martin tegen mij. ‘Ik geef het uit.’

Martin Ros en ik kenden elkaar al lang, zo’n 25 jaar. Hij was altijd enthousiast geweest over mijn werk. In de jaren zeventig correspondeerden we druk met elkaar, hij prees mijn boeken in talrijke artikelen en promootte mijn werk ook al was hij niet mijn uitgever.

Ik stuurde hem het manuscript.

Toen ik de drukproef ontving, zag ik dat de naam van de auteur, Jasper Mikkers, vervangen door het pseudoniem Tymen trolsky.

Er viel met hem niet over te praten. ‘Wie is die Jasper Mikkers? Een of andere uit de klei getrokken boer uit Zeeland? Niemand kent die man. Tymen Trolsky, die is beroemd. Dat is een merk, man. Die moet op het omslag. Snap dat nou!’

Ik dacht er enkele dagen over na. Er waren vrienden die Martin gelijk gaven. Ik stuurde Martin brieven. Maar die zwichtte niet. Geen sprake van dat er een andere naam op het boek kwam.

Zo rees Tymen Trolsky op uit zijn graf.

Op 8 december 2020 overleed Martin Ros. Door corona. Op zijn begrafenis vroeg Perry Pierik, vanaf 2000 de uitgever van mijn romans: ‘Jasper, moet je die cyclus niet een keer voltooien. Het kan nog.’ Na enkele weken bedenktijd besloot ik dat te proberen. Maar op de omslagen zou de auteursnaam Jasper Mikkers komen te staan. Tymen Trolsky was nu wel definitief begraven, samen met Martin Ros.

 

 

Foto: uit Brabantia, cultureel tijdschrift. Fotograaf niet bekend bij mij.

De taal verandert (7) – Nog dit

In de weken voor de verschijning van mijn roman Het einde van de eeuwigheid plaats ik elke dag een stukje over de totstandkoming ervan. Dit is het vijftiende stukje.

15.

De taal verandert (7) – Nog dit

Doordat hij tijdelijk zonder internet zat, was de bevriende schrijver Ed Schilders de laatste die op mijn mail reageerde. Ed heeft een lange carrière als schrijver en medewerker aan kranten en tijdschriften. Uit zijn boeken springen er voor mij twee uit: Vergeten boeken (1986) en Moordhoek (1988). Een van de onderwerpen waarover hij meermaals publiceerde, was het inbinden van boeken in menselijke huid. Zo was er in de negentiende eeuw een vrouw die haar minnaar smeekte na haar dood zijn lievelingsboek een omslag te geven dat gemaakt was van haar huid. Zo zou ze ook na haar dood door zijn handen gekoesterd worden.

Ed schreef het volgende:

Hallo Jasper,

even een wat vertraagde schriftelijke reactie.

Momenteel ben ik een bloemlezing aan het afronden met citaten waarin het gaat over boeken die gebonden zijn in de huid van een mens. Op zich al een heikel onderwerp. Sinds enige jaren is er een wetenschappelijke testmethode die de aard van het leder met zekerheid kan identificeren. Een 19de-eeuws boek in de bibliotheek van de universiteit van Harvard bleek inderdaad in de huid van een mens te zijn gebonden . Toen Harvard dat bekendmaakte, kwamen er nogal wat geschokte reacties. Dat is op zichzelf niet vreemd en niet erg, maar sommigen die deze manier van binden ongepast vonden, eisten dat het boek alsnog ter aarde zou worden besteld. Dit staat dus gelijk met vernietiging van een bijzonder cultureel erfstuk, vervaardigd in een tijd waarin de ideeën over het onderhavige onderwerp radicaal verschilden met moderne opvattingen.

Ook de Koninklijke Bibliotheek in Brussel heeft een zogenaamde antropodermische boekband. In een documentaire daarover (Canvas, 2020) ziet de conservator de bui al in de verte hangen. Ook hij vindt het wat ‘luguber’, maar stelt dan trefzeker: “Het is een deel van de geschiedenis. Je mag de huidige normen niet projecteren op het verleden. Het boek maakt daar nu eenmaal deel van uit en je kan de geschiedenis niet vervalsen.”

Tijdens het vertalen van citaten en de redactie van de bloemlezing rees ook bij mij de vraag wat ik moest doen met citaten waarin het de huid betreft van ‘mensen van kleur’. Daarin wordt namelijk ook gerept van de huid van ‘een neger’ of ‘een negerin’. Ik heb die nu zo beladen woorden laten staan, want ze staan in de originele teksten en die mag ik dus niet vervalsen.

Een en ander is ook van toepassing op jouw ‘probleem’. Jij gebruikt samenstellingen met ‘neger’ als onderdeel van het indertijd gangbare woordgebruik.  Als je dat onder druk van de moderne hang naar correctheid zou aanpassen, zou ook jij jouw oprechte en verantwoorde verhaal vervalsen. Ook taalgebruik is immers een ‘deel van de geschiedenis’.

Succes en een hartelijke groet,
Ed

In een later bericht voegde hij eraan toe:

Ik kreeg juist vandaag een mail van mijn goede vriend Ewoud Sanders. Eind mei verschijnt zijn boek ‘Het n-woord’, en dat is de n van neger. Zie de tekst en de link. Het zal je sterken in ons gelijk.

De verschijning van “Het n-woord’ komt voor mij te laat. En ik weet niet of Eds bericht me nog langer sterkt in mijn gelijk. Daar moet ik het later met hem over hebben.
Ik ben het met hem eens als hij schrijft: ‘Ik heb die nu zo beladen woorden laten staan, want ze staan in de originele teksten en die mag ik dus niet vervalsen.’ Hij schrijft ook: ‘Jij gebruikt samenstellingen met ‘neger’ als onderdeel van het indertijd gangbare woordgebruik. Als je dat onder druk van de moderne hang naar correctheid zou aanpassen, zou ook jij jouw oprechte en verantwoorde verhaal vervalsen.’ Het is waar: het woord neger kan soms niet vervangen worden, om historische, inhoudelijke of literairtechnische redenen. Bijvoorbeeld in een citaat. Maar ik vind niet dat de passages in Het einde van de eeuwigheid veranderd of vervalst zijn doordat ik neger- verving door zwart. In Het geheim van het verboden bos gebruikte de schrijver de woorden blank, wit, neger en zwart door elkaar. Ze waren voor hem synoniem. Ze zijn nog steeds synoniem, zij het dat één van die woorden een andere gevoelswaarde heeft gekregen. Wanneer ik de keuze heb, gebruik ik voortaan zwart.

 

Foto: omslag van een boek van Ed Schilders.

De taal verandert (7) – Een kleine geste

 

In de weken voor de verschijning van mijn roman Het einde van de eeuwigheid plaats ik elke dag een stukje over de totstandkoming ervan. Dit is het veertiende stukje.

14.

De taal verandert (6) – Een kleine geste

Ik kreeg van de uitgever een nieuw bericht. Hij gaf daarin aan dat hij het gebruik van het n-woord een lastig probleem vond. Hij voegde eraan toe: ‘Ik weet wel dat de bibliotheek het gaat weigeren met de term ‘neger’ er in. Zo correct is het tegenwoordig wel…ik overleg hier ook nog even- In de jaren 30 sprak men ook over spekjood, dat was ook niet altijd even lelijk bedoeld, maar zou niet gehandhaafd worden.’

Een dag later stuurde ik de uitgever een antwoord. Ik kon me niet voorstellen dat de bibliotheek elk boek met het woord ‘neger’ zou weigeren of uit de schappen halen. Terwijl ik daarover nadacht, viel het mij in dat ik ook in De kleine jongen en de rivier, deel 1 van Het wolfsbit, samenstellingen met ‘neger’ gebruikt had. En toch had NBD/Biblion, de inkoopdienst van de bibliotheken, een aantal exemplaren van dit boek aangekocht.

Maar ik dacht ook aan andere dingen. Dertig jaar geleden dwaalde ik met een vriend door Parijs, op een warme dag, door een uitgestorven wijk. We ontmoetten een groep zwarte jongens en raakten in gesprek. Toen ik woord ‘nègre’ gebruikte, ik kwam niet zo snel op een ander woord, ontstond er onmiddellijk een agressieve sfeer. De jongens wilden niet meer met me praten, ik moest me zelfs uit de voeten maken. Ik dacht ook aan een film die ik ooit zag. Daarin werd door een groep kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders die de paus had samengeroepen, gedebateerd over de vraag of zwarten (negers) een ziel hadden. Zo niet, dan mochten ze als slaven (als dieren) verhandeld worden. Ik dacht aan het kolonialisme in Afrika en eeuwenoude racisme in de Verenigde Staten. Er is geen bevolkingsgroep, geen ras dat zoveel onderdrukking heeft moeten verduren als het zwarte. Was het niet een kleine, terechte geste om rekening te houden met een gevoeligheid bij deze bevolkingsgroep?

Was het niet ook zo dat ik naarmate ik het vaker gebruikte, het woord ‘zwarte’ steeds mooier vond?

Ik stuurde een nieuw bericht naar de uitgever.

Perry,

inderdaad, de negerwoordkwestie is een lastig probleem. In deel 1 van Het wolfsbit, De kleine jongen en de rivier, gebruik ik het woord drie keer, zo blijkt nu. (Negers 1x, negervriendje 1x, negervriendjes 1x) Tot nog toe heeft niemand daar aanstoot aan gegeven, maar dat kan later nog komen. (…)

Om het probleem op te lossen, moet de knoop doorgehakt worden. Ik ga ermee akkoord dat ‘neger’ en ‘neger-‘ (in samenstellingen) vervangen wordt door ‘zwart’. Ik ben me ervan bewust dat de romantische associaties die ik nog altijd heb bij het gebruik van ‘neger-’ niet gedeeld worden door mensen die later zijn geboren dan ik. Die associaties stammen uit mij kindertijd en ontstonden door boeken die ik toen las: Het geheim van het verboden bos, Kobina de zoon van de slavendrijver en andere. Deze boeken werden geschreven door pater Bernard Eerden en uitgegeven door de Sociëteit voor Afrikaanse Missiën, Cadier en Keer. Ze hoorden tot mijn lievelingsboeken. Als ik erin las, kon ik het oerwoud ruiken, zag ik panterogen gloeien in het donker, werd ik gebeten door knapen van mieren en reusachtige slangen schoven in mijn slaap over me heen. Daar schrijf ik over in deel 1 van Het wolfsbit, De kleine jongen en de rivier.

Het is wel met weemoed dat ik het gedoemde woord inlever bij de tijdgeest. Ik verlies er iets mee uit mijn kinderjaren, uit het vocabulaire dat mij lief was. Maar belangrijker is dat ik anderen die alleen al vanwege hun huidskleur (maar ook door andere oorzaken) een achterstand bezitten bij pogingen een leefbaar en zinvol leven op te bouwen, niet kwets. De taal die we gebruiken moet voor iedereen vertrouwd en betrouwbaar aanvoelen. Wie taal liefheeft, maakt haar mooi voor iedereen.

Ik denk dat Kobina en Kofi, de hoofdpersonages in genoemde boeken, het waarderen dat ik deze keuze maak. Die versterkt mijn levenslange vriendschap met ze.

Jasper.

Ik vroeg me na het schrijven van dat laatste bericht af of ik het woord negerjongetje in één geval niet toch moest laten staan. Henri die pas een week op het seminarie is, ziet een jongen die hij één keer eerder ontmoette en die een bruine huid heeft en zwarte haren. Hij vraagt zich af: Maar Régie is geen negerjongetje. Wat dan wel? Deze passage wordt lachwekkend als ‘negerjongetje’ hier vervangen wordt door ‘zwart jongetje’. Het betreffende jongetje is niet zwart. Hij is bruin. De lezer kan deze passage niet begrijpen als ‘negerjongetje’ vervangen wordt.
Ik liet de uitgever weten dat ‘negerjongetje’ in dit geval gehandhaafd moest worden. En ook dat alle ‘neger-woorden’ in De kleine jongen en de rivier bij een herdruk moesten blijven staan.

Foto: dit is het voorwoord in Het geheim van het verboden bos. Het is een boek dat op vele lagere scholen in het zuiden van Nederland in de les werd gelezen, ook door meisjes. Het werd in mijn klas (klas vier) twee keer klassikaal gelezen. Het was mijn lievelingsboek. Dat kwam doordat pater Bernard van Eerden, de schrijver, met veel empathie en kennis van zaken over Afrika schreef. Het boek zat ook vol avontuur. Dat hij het schreef om jongens over te halen missionaris te worden, was voor mij bijzaak.