Op 2 april vond het symposium Rites de Passage plaats, in de aula van het Crematorium in Tilburg. Het symposium werd georganiseerd door werkgroep Herinneringsbos Tilburg, inmiddels omgedoopt tot werkgroep Herinneringsbos Hart van Brabant. De bedoeling was om via lezingen en groepsgesprekken meer inzicht te krijgen in de wenselijkheid van een bos waar bomen geplant kunnen worden bij het overlijden van mensen (boven de as van het gecremeerde lichaam), maar ook bij andere gedenkwaardige levensmomenten als huwelijk, jubilea en geboorte. Ook kwam de praktische inrichting van zo’n bos aan de orde.

Ik opende en sloot het symposium met een gedicht.

HERINNERINGSBOS (openingsgedicht)

geen hek dat ’s avonds sluit
geen schedel en gekruiste botten
maar esdoorn, vlier en fluitekruid
en gaaien die door vallicht vliegen

geen kilte en geen afgedwongen stilte
bij het staren naar een zerk of kruis
maar kikkerdril in sloten in april
en buizerds cirkelend boven toppen

er is leven in de grond, de tijd verzamelt
geen vergaan, vergroot het bovenaards
bestaan, wie klein verdween in hete oven
vindt hoogte in een douglasspar

we voelen in een stam de hand van hem
of haar die was, we horen als we liggen
op het gras een stem in wind en blad
een beuk werd boven op de as geplant

wie niemand kende krijgt hier naam
en heet victoria, raoul, jasmijn of els
wie nooit graag sprak, niemand verstond
breekt ’s avonds uit in nachtegaalgefluit

geen graf hoeft hier geruimd, de stof
van leven wordt geruisloos doorgegeven
de bladeren zijn brieven ons gestuurd
onder de grond voor ons geschreven

 

VERLANGEN NAAR AS (afsluitend gedicht)

terwijl ik liep van groep naar groep
en luisterde en lippen las
leek het of iets mij riep
van ver, aanlokkelijk en zacht

alsof ik ik nog wel maar anders was
alsof ik al door afscheidswoorden
en applaus van vlammen in een oven
vermenigvuldigd was tot as

door al het mooie dat ik hoorde vertellen
over wonen binnen wortels
als moleculen reizen door de vaten
van een eik, bouwen aan cellen

ach, mijn lijf verlangt al naar het bos
en naar begraven, nee, niet naar rust
het wil, lijkt, nu al dat de aarde het
als as ontvangt, wil door de grond gekust

hoe heerlijk is het te bedenken dat
mijn lijf ontsteekbaar is, afbreekbaar
dat moerascipres over mij waakt
van mij haar blad en takken maakt

u vraagt waarom ik me dan niet
meteen verassen laat, ach wie mij kent
die weet dat ik altijd maar twijfel –
ik vrees dat ik op een moment

daarginds, omringd door lijsterzang
bedekt door dekentjes van mos
toch weer naar leven hier verlang
daarginds, in het herinneringenbos