Oud-seminarist (2)

In de weken voor de verschijning van mijn roman Het einde van de eeuwigheid, deel 2 van de romancyclus Het Wolfsbit, plaats ik elke dag een stukje over de totstandkoming ervan. Dit is het achtste stukje.

8.

Oud-seminarist (2)

Ook ik liep er niet mee te koop dat ik een oud-seminarist was. Als gevraagd werd op welke school ik had gezeten, had ik het gymnasium gedaan, het Sint Oelbert Gymnasium in Oosterhout en liet het daarbij. Dat ik op een seminarie had gezeten, later een internaat, zou een stempel op me drukken, vreesde ik. Mensen – met name meisjes – zouden door een ‘bekentenis’ bevestigd zien wat ze eigenlijk al hadden waargenomen: iets merkwaardigs in mijn gedrag. En dat merkwaardige was: wereldvreemdheid, harkerigheid, stijfheid.

Medeleerlingen die ik later sprak, kijken allemaal op verschillende manieren terug op hun seminarietijd. De gevoelens bestrijken een breed spectrum van gevoelens, van woede en gefrustreerdheid tot waardering en lof.

Zelf heb ik de jaren die ik op het seminarie doorbracht, altijd beschouwd als mijn redding. Dat ik, zoontje van een agent met niet meer dan twee strepen op de mouw van zijn uniformjas, opgegroeid in een dorp ver weg van de grote stad, het gymnasium kon doen, ervoer ik als een godsgeschenk. Mijn oudere broer wilde niet naar het seminarie, ik wel. Dit was mijn kans kennis en cultuur op te doen en daarmee vrijheid te veroveren. Een rijk leven tegemoet te gaan. En zo ook kon ik aan de macht van mijn vader ontsnappen.

Maar het lot had nog meer goeds voor mij in petto. Ik ging niet zomaar naar een seminarie, ik kwam terecht bij de paters kapucijnen. Ik kon toen ik dertien was nog niet kloosterorden en hun seminaries met elkaar vergelijken. Later wel. Het seminarie van de Ordo Fratrum Minorum Capucinorum (Orde van de Minderbroeders Kapucijnen) was een lotje uit de loterij: een nieuw, modern gebouw omringd met sportvelden en een openluchttheater, sympathieke, hoogopgeleide en gemotiveerde paterleraren, een ambitieuze en gedreven rector, zeer verschillende leerlingen die uit het hele land kwamen. Cultuur stond hoog in het vaandel, er werd kunstgeschiedenis, muziek en zelfs West-Europese letterkunde onderwezen. Er werd veel toneel gespeeld. Het regime was niet te streng, er werd veel door de vingers gezien. De paterleraren deden alles om hun leerlingen die klas zes haalden, te laten slagen.

De laatste twee jaar die ik op het seminarie doorbracht, had ik wel het gevoel dat het tijd werd dat ik mijn vleugels uitsloeg. Ik deed eindexamen in de week waarin ik twintig werd. Het zou ideaal zijn geweest als ik twee jaar eerder examen had gedaan. Maar het liep nu eenmaal anders.

Ik ben de kapucijnen dankbaar voor wat ze voor mij betekend hebben.

Wel bevreemdde het mij dat mijn ouders er later nooit meer met mij over spraken dat ik de priesterstudie niet voortzette. Het leek iets vanzelfsprekends terwijl het dat voor mij niet was. Ik wist al in klas twee dat ik een andere weg zou kiezen, maar sprak daar niet over omdat ik van school zou worden gestuurd. Maar was ik eerlijk? Nee. Later, toen ik aangaf naar de universiteit te willen als ik eindexamen had gedaan, knaagde het gevoel dat ik verwachtingen niet had waargemaakt, tegenover mijn ouders, maar ook tegenover de kapucijnen die zich zeven jaar lang voor mij hadden ingezet. Maar dat schuldgevoel bleek toch iets van mijzelf: nooit heeft iemand me iets verweten. Later las ik dat 80% van de leerlingen die werden aangenomen, uiteindelijk afhaakten, ook in de bloeiperiode van het seminarie. Ik was niet de enige. En toch…

 

Foto’s: pater-surveillant Getulius – De Kort