Onderwerpen voor romans

In de weken voor de verschijning van mijn roman Het einde van de eeuwigheid, deel 2 van de romancyclus Het Wolfsbit, plaats ik elke dag een stukje over de totstandkoming ervan. Dit is het vierde stukje.

4.

Onderwerpen voor romans

De opzet van de cyclus Het wolfsbit is een beeld te geven van de wereld waarin de naoorlogse generatie opgroeide en van de idealen die in die tijd werden nagestreefd.

De eerste roman, De kleine jongen en de rivier, kent één hoofdpersonage: Henri Pafort. Ik koos voor een mannelijk personage omdat ik een dergelijk leven van binnenuit ken. Ik dicht me niet het inzicht toe dat vereist is om diep genoeg in de ziel te duiken van een vrouwelijk personage, in elk geval niet gedurende een cyclus van zeven romans.

In de romans die volgen, verbreed ik de thematiek en het aantal personages wordt uitgebreid.

Voordat ik met het schrijven begon en nadacht over de opzet van de cyclus, vroeg ik me af welke onderwerpen niet of nauwelijks in de literatuur aan bod waren gekomen en waarover ik met enige kennis van zaken kon schrijven. Dat was het leven van een kind, een jongetje in een dorp in het zuiden van Nederland, in de jaren vijftig, niet lang na de Tweede Wereldoorlog, een oorlog die een breuk in de eeuw teweegbracht. Ook over het leven op een katholiek seminarie en over de verdwijning (ondergang) van het instituut seminarie was nooit een roman geschreven. Dat gold in gelijke mate voor de studentenrevolutie in Nederland, met name de bezetting van de universiteit (toen nog hogeschool) in Tilburg. Zo ontstonden de ideeën voor drie opeenvolgende romans die alledrie een fase in het leven van een mens vertegenwoordigen: kinderjaren, middelbare schooljaren en studiejaren oftewel beginnende volwassenheid.

Het seminarie was geen onbetekenend fenomeen in de twintigste eeuw. In de bloeitijd van de priesteropleiding, rond 1960, zaten 7000 leerlingen op dit type scholen. Volgens mijn eigen schatting brachten vorige eeuw 150.000 jongens hun jeugd door op de kleinseminaries van ordes en congregaties. (Met het kleinseminarie worden de eerste zes jaar van de priesteropleiding aangeduid, met het grootseminarie de erop volgende zes jaar, tot aan de priesterwijding.)

Was die specifieke leefwereld van het seminarie werkelijk nooit in een literaire vorm gegoten? Niet in Nederland, niet in de literatuur van een ander land? Ik kon weinig vinden. Lodewijk van Deijssel bracht een deel van zijn jeugd door op het katholieke jongensinternaat Rolduc en schreef de roman De kleine republiek. Dat boek verscheen in 1889. James Joyce publiceerde in 1916 The portrait of the artist as a young man. Hij beschreef daarin zijn jaren op een Jezuïetencollege. Een vertaling verscheen in 1972. Maar de scholen waar zij over schreven, waren geen kleinseminaries maar internaten geleid door geestelijken. De leerlingen werden niet tot priester opgeleid.

Er verschenen in de loop van jaren wel herinneringen aan jaren doorgebracht op het seminarie, in de vorm van boeken van meestal geringe omvang, maar geen romans.

Na de nabloei te hebben meegemaakt was ik er getuige van dat het kleinseminarie midden jaren zestig een bijna geruisloze dood stierf. Het seminarie veranderde in een internaat en als internaatsleerling kon ik net als mijn schoolgenoten mijn gymnasiumopleiding afmaken.

Na het seminarie was ik getuige van de eerste studentenrevolutie in Nederland, in april en mei 1969, in Tilburg. Hiermee stonden de onderwerpen voor twee romans vast.

Foto: studiezaal seminarie