Uit: ‘Het einde van de eeuwigheid’ – Boek 2 – ‘De eeuwigheid’

Van twee kanten stroomde zonlicht langs de zware, velours gordijnen de salon binnen. De zwarte piano wierp scherpe lijnen over de vloer. Eugène keek weg van de man tegenover hem, weg van het kalende hoofd, de zware wenkbrauwen en weke, geplooide nek.
`Ga naar boven en pak alles in wat je op die school nodig hebt.’
Naast zijn voeten zag hij de zachte schittering van het fijne voegzand tussen de boerenplavuizen. Zijn teennagels schemerden door zijn versleten sportkousen heen. Aan de binnenkant van zijn knie begon een schram die hij een uur geleden bij een hockeywedstrijd had opgelopen, te schrijnen. Hij was niet opgewassen tegen die onberekenbare combinatie van meegaandheid en plotseling toeslaande, meedogenloze besluitvaardigheid. Met een wonderlijke onverschilligheid liet zijn vader in huis de dingen gebeuren, alsof hij ze niet zag en hem niet aangingen. Alsof hij een gast was in zijn eigen huis. En op een middag zat hij in een stoel in de salon en riep zijn zoon bij zich. Dan nam hij zijn sigaar uit zijn mond en naar de rokende askegel turend deelde hij mee wat hij besloten had. Redenen of overwegingen werden niet gegeven. Altijd luisterde Eugène perplex naar de reeks korte mededelingen die, zijn leven bepalend, werden uitgesproken op een toon en met een snelheid die geen tegenspraak duldden.
`Waar wacht je op?’
De lijnen op de vloer vervaagden tot waterige, vertekende contouren. `En moeder dan?’
Zijn vader strekte zijn arm opzij uit en pakte de hoorn van de haak.
`Ik denk niet dat je haar nog ziet. Ik heb alles met haar besproken. Ze zal je bezoeken.’
Bovenaan de open trap, zijn hand op de leuning, luisterde de jongen naar het telefoongesprek beneden. Zijn vader vroeg of hij kon worden doorverbonden met de rector. `Pater Faustinus? Dokter Pafort. Ik breng hem vandaag nog. Over een uur kan ik bij u zijn. Hoe laat precies? Ja. En terwijl u met mijn zoon spreekt, breng ik zijn neef Henri op de hoogte. In de spreekkamer. Goed. Wat zegt u? Ja, dat lijkt me het beste.’

Een stevige broeder met een oranjerode baard deed open. Zijn grote, vlezige gezicht was bezaaid met sproeten en glansde vochtig. Zijn ogen glommen van levenslust. `Zo, dat is onze nieuwe leerling.’ Hij legde een ogenblik een bleke knuist op Eugènes schouder. Daarna trad hij achteruit om hen door te laten. `Kom erin. U ook, dokter.’ Hij sloot de deur en ging hen voor over een vloer van donkergrijze leitegels. Ze liepen voorbij een uit grove, grijsgele steen gehouwen monnik die op een marmeren voetstuk was geplaatst. Op zijn pij droeg hij een koord waaraan een rozenkrans hing. Zijn kruin was op een ring van haar na kaalgeschoren en hij las met gebogen hoofd een boek dat open in zijn handen lag. In de wand tegenover het beeld was een zwarte, marmeren plaat ingemetseld met een inscriptie in het Latijn die Eugène in de korte tijd van het voorbijgaan niet kon vertalen.
Ze liepen door een donkere gang. Op één plek werd de duisternis onderbroken door licht dat door gebrandschilderde ramen over een smalle trap naar beneden stroomde, tot over de donkere, glanzende tegels voor hun voeten. Even later hield de broeder halt voor een halletje waarvan de deur openstond. Hij ging het halletje binnen en klopte op een deur. Achter het gestreepte glas van de deur was een wazig groen zichtbaar.
`Ga maar naar binnen, beste vriend. De rector weet van je komst.’
Eugènes heup schampte de buik van de broeder toen hij hem in het nauwe halletje passeerde. Hij hield zijn blik op de grond gericht, aarzelde, klopte. `Komt u mee, dokter,’ hoorde hij achter zich zeggen. ‘Ik breng u naar uw neef. Hij wacht op u in de wachtkamer.’
Een graatmagere, rijzige pater schroefde de dop op zijn vulpen en ging achterover zitten. Hij had een gezicht dat spits toeliep in een dun grijs baardje. Zijn peperkleurige snor was door tabaksrook bruin geverfd, achter de brillenglazen boven een forse, scherpe neus huisde de kalme, open blik van een roofvogel. De pater greep naar een pakje sigaretten op zijn bureau, sloeg onder zijn pij zijn benen over elkaar, gaf zich vuur. Rokend en scheef op een elleboog leunend keek hij Eugène aan. Met de duim van de hand waarin hij de rokende sigaret hield, wreef hij door zijn snor.
Rook kringelde omhoog. Achter het raam rechts van de rector spreidde een boom zijn grote, lichtgroene bladeren uit.
`Je weet waarom je hier bent?’
`Nee…’
`Nee, pater rector.’
`Nee, pater rector.’
De rector was zo mager dat zijn schouders bijna door zijn pij heen staken. Zijn gelooide gezicht was bezaaid met putjes, als een stuk land dat onder granaatvuur had gelegen.
`Je vader heeft er niet met je over gesproken?’
De groene boombladeren buiten bewogen traag, af en toe was de grijze schors van takken zichtbaar.
`Je bent de zoon van een groot arts. Je hebt een degelijke opvoeding genoten, bent achttien jaar lang aan goede, liefdevolle handen toevertrouwd geweest. Maar dat is in jouw geval niet voldoende gebleken. Je vader heeft me uitvoerig geïnformeerd over wat er de laatste tijd allemaal fout is gegaan. Ook heb ik gesproken met de directeur van het Rompiusgymnasium in IJpelsteen. Niemand is erin geslaagd, schijnt, om je het verschil duidelijk te maken tussen een school en een vakantieoord.’

Links in een hoek glom vaag het leer van donkere fauteuils rondom een lage tafel.
Was dat een zekere geamuseerdheid of juist een bitter soort afkeuring die door de strenge trekken van het ascetisch magere gezicht heen brak. Pater rector was een hartstochtelijk roker en inhaleerde met open mond.

`Deze school is je laatste kans. Je allerallerlaatste kans. Je bent niet hierheen gekomen om priester te worden. Dat je toch wordt toegelaten, is iets uitzonderlijks. Want dit is een seminarie, bestemd voor jongens met een zuivere, onmiskenbare priesterroeping. Of we ons toch alsjeblieft over je wilden ontfermen. Dat was de bede van je vader.’ De pater zocht met zijn peuk naar een asbak. Terwijl de rook in kleine, geïsoleerde wolkjes zijn strottenhoofd passeerde en de peuk zijn speurtocht boven het bureau voortzette, vervolgde de rector zijn monoloog. `Naastenliefde en barmhartigheid vormen de leidraad in ons leven. Ook zijn we van oordeel dat elk mens die bereid is zijn goede wil te tonen, een laatste kans moet krijgen. Daarom vinden we dat we ook jou alsnog de gelegenheid moeten geven in een harmonieuze en weldadige omgeving op te groeien. We verwachten daarvoor wel iets van je terug. Eerlijkheid en medewerking, vanaf de eerste dag.’ De peuk had een bestemming gevonden, op de voet van de bureaulamp. Zich oprichtend opende de pater een lade van zijn bureau. Een stapel paperassen optillend haalde hij een dun, wit boekje tevoorschijn en hield het tussen zijn vingertoppen op. De afbeelding op het omslag liet een man in worsteltricot zien die, bekroond met een lauwerkrans, door een finishlint brak. `SIC CURRITE – LOOPT ZO.’ In trage cadans ontsnapten de lettergrepen aan het hekwerk, zoals Homerus schreef, van pater rectors tanden. `Woorden van Paulus uit een brief aan de christenen van Korinthe. `Loop zo… dat je een prijs wint.’ Met `prijs’ bedoelde hij een prijs in de renbaan van het leven. En die prijs is niet zomaar een prijs. Nee, zij is je van God gegeven bestemming.’ Hij keek Eugène recht aan. `De jaren die je hier zult doorbrengen, zijn een ronde in die renbaan van het leven. Loop die niet in den blinde, maar met overleg en in overeenstemming met de spelregels. Die spelregels vind je in dit boekje.’ De berookte vingers van pater rector sloegen een pagina open. `Alle voorschriften die op deze school gelden, kun je hier vinden. Godsdienstig leven. Lessen en studie. Lezen en vrije tijd. Huishoudelijke regels. En wanneer je situaties tegenkomt waarvoor SIC CURRITE geen uitsluitsel biedt, handel je in de geest van de voorschriften die er wel in staan. Is dat duidelijk?’
Eugène trad op het bureau toe en nam het boekje met voorschriften in ontvangst. De asbak die wemelde van de halfopgerookte sigaretten, had zich verscholen achter een houten pennenkistje waarvan het deksel naar achter was opengeklapt.
De rector stak een nieuwe sigaret op. Leunde achterover, met zijn rug half tegen de armleuning. Duwde met zijn voet de bureaulade dicht. `Eerlijkheid,’ zei hij traag. `Dat is wel het minste wat we van je mogen verwachten. En de intelligentie om deze kans met beide handen aan te grijpen. Begrijp goed dat wat je je in IJpelsteen permitteerde, hier zeker niet kan. Het seminarie is een instituut waar jongens worden opgeleid die tot in de vezels van hun tenen de ernst en verantwoordelijkheid beseffen van hun leven hier en hun toekomstige taken in klooster en maatschappij. Jij bracht je middelaresschooljaren totnutoe door op een stedelijk gymnasium en daardoor weet jij meer van het leven buiten de muren dan de leerlingen hier. Ik ga ervanuit dat je weet hoe je je tegenover je klasgenoten te gedragen hebt. Je klasgenoten hebben een oprechte roeping. Heb respect voor hun mooie, maar breekbare ideaal. Ga voorzichtig met je kennis om. Stel je terughoudend op en eerder dan door woord en daad twijfel te zaaien in hun harten moet je hen sterken in hun groei naar het priesterschap.’
Ver weg in het gebouw klonken dichtslaande deuren.
`Je hebt dezelfde plichten als de andere leerlingen en zolang je hier bent, zul je je in niets van hen onderscheiden. Is dat begrepen?’
Eugène knikte.
`Het komende halfjaar zul je veel van jezelf moeten vragen, want het lesprogramma van dit gymnasium loopt niet parallel met dat van je vorige school. Besteed extra aandacht aan de vakken waarin je een achterstand hebt, vraag je leraren naar extra huiswerk, ze zullen je graag helpen. Vertrouw er niet op dat er vakken zijn waarin je vóór ligt. Je zult verder merken dat je hier op een bijzonder gymnasium bent. Hier worden vakken onderwezen waar andere gymnasia nog nooit van gehoord hebben, zoals West-Europese letterkunde, mythologie, kunstgeschiedenis en muziek.’
Eugène keek naar buiten. De bomen voor het raam belemmerden het uitzicht. Alleen wanneer de wind een tak wegboog, was er een glimp zichtbaar van een tuin met een gazon, struiken, een houtwal en daarachter een zee van gras.
`Het spreekt vanzelf dat we niet uitsluiten dat je je na verloop van tijd misschien toch tot het priesterschap geroepen voelt. Mocht dat zo zijn, dan zullen we je met grote, broederlijke liefde in onze gemeenschap verwelkomen en de dankbaarheid die we tegenover God uitspreken, zal groot zijn.’

[FRAGMENT uit HET EINDE VAN DE EEUWIGHEID, Boek 2, DE EEUWIGHEID]

Dit bericht is geplaatst in Proza. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.