JAN VAN DIJCK – INTERVIEW 3

IN GESPREK EMERITUS HOOGLERAAR JAN VAN DIJCK

‘Tilburg is de meest menselijke universiteit van Nederland.’

 

janvandijck
Jan van Dijck


Jan Eugene August Marie van Dijck werd op 26 november 1923 te Middelburg geboren. Na de middelbare school studeerde hij aan de Rijksbelastingacademie te Rotterdam. In 1947 behaalde hij het staatsexamen candidaat-notaris.

Na een loopbaan in de belastingdienst, werd hij lector, later hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit van Tilburg, van 1954 tot 1989.

Daarnaast was hij raadsheer-plaatsvervanger gerechtshof van 1963 tot 1993 en lid van de Emancipatieraad van 1976 tot 1979. In 1975 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 1979 ontving hij van de Universiteit van Amsterdam een eredocoraat. De gemeente Tilburg kende hem de grote zilveren legpenning voor maatschappelijke activiteiten toe. (Tot die activiteiten behoorden: gemeenteraadslid, bestuur Schouwburg, bestuur Elisabethziekenhuis, bestuur Stichting Sociaal Culturele Opbouw Tilburg, voorzitter Tilburg Onderwijs Overlegorgaan, voorzitter Stichting Festival voor de werkende jeugd, voorzitter Stichting Studentenhuisvesting.)

                Tijdens de bezetting van de Hogeschool was hij prorector. Prorector was normaliter de hoogleraar die het jaar tevoren rector magnificus was. Hij had de taak de nieuwe rector te ondersteunen. Van Dijck was toen overigens nog geen rector geweest, wel secretaris van de rector, van De Moor, die in 1967-1968 rector was. Rector zou hij worden begin jaren tachtig.

 

 


GESPREK

Het gesprek gaat van start bij het begin van Van Dijcks wetenschappelijke loopbaan.

‘Toen ik naar Tilburg kwam, was ik eerst assistent, wat toen de benaming was voor wetenschappelijk medewerker. Later, 34 jaar oud, werd ik lector. Ik was net lector toen ik gevraagd werd om staatssecretaris van financiën te worden in het  kabinet Cals-Vondeling.(1) “Hoeveel tijd krijg ik om daarover na te denken?” “Tot morgenochtend.” Ik had zes schoolgaande kinderen en zou – als ik op het verzoek inging – 5 à 6 dagen per week van huis zijn. Dat is de enige nacht dat ik en mijn vrouw niet geslapen hebben.’

Hij deed het niet. Ik kan me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het hem toch nog altijd een beetje dwarszit dat hij voor zijn gezin móest kiezen. Hoewel hij een in allerlei opzichten glanzende carrière – onder andere een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam – heeft gehad.

Van Dijck ging zijn eigen weg. Om te illustreren dat hij altijd naast een doortastend vooral eigenzinnig mens was, komt hij met een anecdote. ‘Op 7-jarige leeftijd dwong ik bij mijn ouders af dat ik geen vlees hoefde te eten. Sindsdien ben ik vegetariër.’ En met gespeelde spijt vervolgt hij: ‘Doordat ik als zevenjarige met succes het gezag van mijn ouders aanvocht en won, eet ik nu geen vlees. Als ik verloren had, zou ik nu waarschijnlijk lekker vlees eten.’

Dat hij opvattingen heeft, steekt de emeritus hoogleraar niet onder stoelen of banken. Hij is een geanimeerd verteller en bevlogen gesprekspartner en schuwt gepeperde uitspraken niet. Bijvoorbeeld als ik hem ‘een econoom’ noem. Hij protesteert heftig. ‘Ik ben geen econoom, o nee. Een econoom is een ramp. Die rekent alleen maar. Economen weten niks van taal, letten niet op taal. Ik ga graag met taal om, ben steeds in gevecht met de taal. Ik doe veel aan tekstanalyse, wil zo helder mogelijk aangeven waarom ik op een bepaalde manier over iets denk. Ik heb een artikel geschreven waarin ik aangeef dat het woord ‘vermogen’ in acht verschillende betekenissen in belastingwetten voorkomt, afhankelijk van de context.’

Het is zelfs nog erger. ‘De economie is een a-morele wetenschap. Er wordt gewoon berekend wat er moet gebeuren om het grootste economische voordeel te behalen. Dat is het. Ik zeg wel eens: een homo economicus paart niet. Hij kan niet bedacht krijgen waarom hij zoveel arbeid zou verrichten om zo’n kleine hoeveelheid vocht te verplaatsen over zo’n kleine afstand.’ Over de rechtswetenschap zegt hij: ‘Strafrecht stelt als wetenschap niks voor. Er zijn een paar begrippen waar over doorgedacht kan worden, maar daarbij houdt het op. Privaat recht en publiek recht zijn wel wetenschappen. Ik vind het publiekrecht overigens belangrijker. Het privaatrecht is toch wat kneuterig.’

Zijn leven lang heeft hij veel last van zijn rug. Mede om die reden nam hij thuis de tentamens af, liggend op een bed. Hij zat ook de Hogeschoolraad liggend voor. ‘Ik ben de enige hoogleraar die zijn beroep liggend uitoefende.’ Tijdens het gesprek staat hij af en toe op en valt bijna op de grond doordat hij door een been zakt. ‘Ik ga dikwijls bijna door mijn heup. Maar de doktoren kunnen geen reden vinden om er iets aan te doen.’

Boekenmarkt in Hogeschool - linkse literatuur
Boekenmarkt in Hogeschool – Vooral aanbod linkse literatuur

Het valt niet mee terzake te komen, zo boeiend is alles wat professor Jan van Dijck ter sprake brengt. Maar het moet.

Het is lang geleden. Zeker. Maar toch. Wat weet hij van de eerste studentenprotesten in Tilburg?

‘Olof had een lustrumfeest. En het lustrumthema was snelheid. Er zou een tentoonstelling komen over snelheid. Wat is snelheid? Wat is het toppunt van snelheid? Een vliegtuig natuurlijk. Vliegbasis Gilze-Rijen wilde Olof wel helpen met de aanlevering van materiaal, met oorlogstuig dat voor gebouw A werd neergezet. Dat was dom van Olof en ook van het hogeschoolbestuur waar ik toen zelf toe behoorde’. Olof organiseerde vanalles op het gebied van snelheid. Zo organiseerde het ook TT-races op de Beekse Bergen. Met Assen was de Beekse Bergen dé motorwedstrijd van het jaar. Het crème de la crème kwam naar de Beekse Bergen. Ik heb ze nog dikwijls geadviseerd, de studenten, want ze konden het niet aan. Zo zouden hoogleraren in zweefvliegtuigen landen op de Professor Cobbenhagenlaan. Burgemeester Becht zou de straatlantaarns en andere hinderpalen laten verwijderen. Is niet doorgegaan.’

Wat waren dat voor studenten, zij die zich roerden en aansloten bij Links Front(2)?

‘Bij de sociologen zaten de meest gemotiveerde studenten, de ideologisch gedreven figuren. Velen hadden een seminarie-achtergrond. Dat gold overigens ook voor nogal wat hoogleraren: De Moor, Segers en Stevens waren oud-seminaristen. De kritiek van de studenten richtte zich op uiteenlopende zaken, van politieke en niet-politieke aard. De relatie hoogleraar-student speelde een rol. Die was verre van ideaal. De hoogleraar hield afstand. Hij had geen studie-inhoudelijke contacten. Hij had ook niet de habitus om (naar studenten) te luisteren. Hoogleraren waren geïsoleerde mensen.

Bij ons (Katholieke Hogeschool Tilburg, JM) was dat anders. Studenten woonden de besprekingen binnen de vakgroep bij. En ik was adviseur van de Smeetskring. Die runde een adviespraktijk voor de kleine man, verrichtte het handwerk van het invullen van aangiftebiljetten, loste incidentele problemen op. De juridische EHBO van Marius de Jong werkte anders. Die probeerde een structurele oplossing voor problemen te vinden en de wetgeving te veranderen en beïnvloeden. Er zat een ideologische beschouwing achter.

Er waren onder de actievoerders maar enkele studenten met een ideologie. De meesten waren gewone corpspikjes die geslaagde studentenleiders bleken en voorbestemd waren om minister of iets anders te worden, in elk geval in de hogere regionen te functioneren. Paul Jansma was een corpspikje geweest onder normale omstandigheden. Frans Godfroy, Tinie Akkermans en Kees de Boer waren de enigen die ideologisch gemotiveerd waren. Kees de Boer was een ‘he-man’, een macho. Alsof die een geur afscheidde. Waar al die vrouwen op af kwamen. De Boer sprak me eens aan met professor. Er was een meisje bij. Ze corrigeerde hem. “Dat is geen professor. Dat is een meneer.” Zij was dus verder in het afzweren van autoriteit dan hij. Nu zijn we ook zelfs geen meneer meer.

Onrust in aanloop naar bezetting Hogeschool
Onrust in aanloop naar bezetting Hogeschool

Het aantal studenten dat actie voerde, was overigens klein was. Laten we zeggen hoogstens 100. Op een bevolking van een kleine 3000 studenten. De actievoerders  kregen vóór 7 mei de anderen niet mee.

Van de andere kant: een revolutie slaagt alleen als er een voedingsbodem is. Als die er is en de juiste mensen staan op, is het zover. Dan brandt het los.’

Hij memoreert als illustratie van die laatste bewering een ander voorval. ‘In 1962 greep een omwenteling plaats in Duitsland toen minister Strauss naar huis werd gestuurd. Voorheen konden gezagsdragers zich alles veroorloven. Autoriteit werd niet aangevochten. En toen werd het autoritaire gezag vervangen door overleg. De leugen werd voortaan afgestraft. Er werd daadwerkelijk gebroken met het fascisme.’

Waarom vond de eerste bezetting van een universiteit in Tilburg plaats, en niet in Nijmegen of Amsterdam?

‘Het succes van de studentenbeweging in Tilburg valt te verklaren door de omvang van de hogeschool en de bouw van Gebouw A. Als 30 studenten een sit-in hielden in de ruimte voor de aula, waren alle gangen in het gebouw geblokkeerd. Dat was zeer effectief. Als we 30 gebouwen hadden gehad, zou een groep van 30 studenten niet veel betekend hebben. Nu wel. Ook bezaten de deuren grote bronzen knoppen. Daar hoefden de studenten maar een ketting omheen te leggen en de deuren en gebouwen waren afgesloten. Later zijn er ook nog bezettingen geweest, zelfs in 1980. Het College van Bestuur had een eigen betonschaar om kettingen mee door te knippen. Als je hard tegen de deuren duwde, ontstond er een opening die net groot genoeg was om een betonschaar doorheen te steken. Moet je je dat eens indenken: een College van Bestuur dat er een eigen betonschaar op nahoudt.’ Van Dijck lacht.

‘Het verschil tussen ons en de actievoerders was: wij zaten nog altijd in het harmoniemodel en zij in het conflictmodel. Zij hadden strijdboeken. Wie zijn zin kreeg, had te weinig geëist. En zo eisten ze altijd meer dan ze eigenlijk wilden. Door hun eisen op te schroeven, kregen ze misschien wat ze verlangden.’

Al liep het conflict tussen de autoriteiten en studenten hoog op, tot een bezetting van het gebouw, toch bleven de tegenstanders met elkaar in gesprek. En dat is typisch voor Tilburg. ‘De bezetting van het Maagdenhuis en het optreden van de politie: daar hebben we smakelijk om gelachen. Omdat er zo grof werd opgetreden. Waarom wordt er altijd over het Maagdenhuis gerept? Omdat er daar werd gemept. Maar de studentenbeweging is hier ontstaan en de democratiseringseisen zijn hier in Tilburg geformuleerd. Tilburg is de meest menselijke universiteit van Nederland. Toen ook. Daarom wilden we niet dat de politie optrad.’ Na een korte stilte zegt hij: ‘Het studentenverzet was een legitieme beweging tegen de macht. Ik duldde en duldt ook geen gezag boven me. Tijdens de bezetting nam ik gewoon tentamens af bij mij thuis, ook al was het afnemen van tentamens door de rector verboden.’

Ik noem enkele namen van studenten die een belangrijke rol speelden in het studentenverzet.

‘Ton Koster(3) was een pias. Maar zijn briljante spot was tegelijk een zegen voor het studentenverzet. Er werden openbare lessen gegeven, bijvoorbeeld als er een nieuwe hoogleraar werd benoemd of bij een promotie. Bij de binnenkomst van hoogleraren in de aula zat Koster op de corona(4). Hij had een flesje verf bij zich. Die verf zou hij gooien naar wie hem te na kwam, een portier of een van de hoogleraren. Ook werden we onderbroken door de Harmonie van de Eeuwigdurende Bijstand. Daar stond je dan bij een plechtigheid op het spreekgestoelte en verscheen de harmonie. Na een minuut of tien vertrok die wel, maar je stond al die tijd toch wel voor lul.

Koster en nog twee of drie studenten bezetten de telefooncentrale. Scheffer zei: “Ik verklaar de hogeschool voor gesloten. Er worden ook geen tentamens afgenomen.” Dat was het ergste wat er kon gebeuren. Dat hij de tentamens niet liet doorgaan. Om zes uur ‘s avonds ging Koster met zijn kornuiten gewoon weg, naar huis eten en slapen. Juffrouw Pieck, adjunct-secretaris van het curatorium, en ik zeiden: “Nu moet de hogeschool weer open.” “Hoho,” zei Scheffer. “Van Boven heeft ook mee gesloten. De hogeschool gaat pas weer open als het curatorium bij elkaar komt en een besluit neemt. Dat was drie of vier dagen later. Men deed of het gebouw echt met een sleutel op slot was gedraaid en niet meer open kon. Maar de volgende dag was het gebouw gewoon open. En toen begon de echte bezetting omdat de bona-fidestudenten zeiden : “Jamaar, dat kan niet.”  De bezetting van de telefooncentrale was eigenlijk maar Spielerei.

Rector magnificus Scheffer sluit Hogeschool
Rector magnificus Scheffer sluit Hogeschool

Zo joegen curatorium en senaat de studenten tegen zich in het harnas.

‘Ton Koster was een clown, maar soms op het gevaarlijke af. Toen de Sterrenflats in gebruik werden genomen, met een vertegenwoordiger van het ministerie uit Den Haag, een grootmoeftie van het ministerie, gooide Koster een plastic zak met water naar beneden. Niemand werd geraakt, maar het werd gevaarlijk gevonden. Een liter water weegt wel een kilo!

Ik was voorzitter van de Stichting Studentenhuisvesting die de Sterrenflats had laten bouwen. Ik was ‘de bouwheer’. Toen het stichtingsbestuur de inwijding van de flats na lange tijd hard werken met een feestelijk diner wilde vieren, probeerden linkse studenten dat feest te verpesten omdat zij dachten dat zij dat diner moesten betalen via de kamerhuur. Daar baalden we van. Keihard gewerkt. De huur van de flats was volgens een algemene regeling vastgesteld en niet te hoog.’

We komen te spreken over een van de hoofdrolspelers tijdens de roerige periode eind jaren zestig: drs. H. (Han) Loevendie, secretaris van het curatorium van de Katholieke Hogeschool Tilburg en later gedelegeerd curator. ‘Loevendie (klemtoon op de eerste lettergreep) was een wendbare man. Hij kwam via Bureau Van Spaendonck dat diensten leverde aan instellingen en bedrijven. Hij was ook secretaris van het bestuur van de Katholieke Leergangen(5). Ik neem het hem nog altijd kwalijk dat hij terugtrad toen de WUB in werking trad. Hij kon de macht niet delen.

Tot de verdiensten van Loevendie reken ik de bouw van Gebouw A, beslist zijn werk, de psychologische faculteit, en later de organisatie van de concerten in de aula. Hij ontdekte St Martin in the Fields(6).

Loevendie was wel een man die slecht kon luisteren. Hij luisterde selectief. Hij kwam soms met een resultaat op de proppen dat geen resultaat was. Hij zei dit of dat bereikt te hebben en dat bleek niet het geval. Ging dan keihard onderuit. Zoals Luns met Nieuw Guinea. Toen hij een enquête organiseerde over de katholieke identiteit van de universiteit, splitste hij de vraag in drie keuzen: katholiek, rijks of bijzonder, dat wil zeggen noch Rome noch Den Haag. Alledrie de opties kregen eenderde van de stemmen. “Dus blijven we katholiek,” zei Loevendie. Dit was echt een jezuïetische streek. Het had een keuze tussen twee mogelijkheden moeten zijn.’

De invloed van het episcopaat was ondanks de katholieke identiteit van de KHT beperkt. ‘De bisschoppen oefenden geen controle uit op de hooglerarenbenoemingen en met het stempel van katholicisme werd ruimdenkend omgesprongen. ‘Ik deelde mee dat ik niet langer katholiek was en werd daarna toch gewoon rector’. Een hoogleraar was homo. Geen probleem. Kardinaal Willebrands kwam met drie bisschoppen op bezoek, sprak met een delegatie van de Hogeschoolraad en zei dat de katholieke emancipatie voltooid was. Katholiek universitair onderwijs was niet meer nodig. “Alleen voor onderzoeksdoeleinden hebben we nog wel een katholieke universiteit nodig.” Ik betreur nog altijd dat ik toen niet zei: “Waarom heeft u die opdrachten dan in het verleden nooit gegeven?” Ik moest toen ik rector werd wel beloven dat ik van de universiteit geen rijksuniversiteit maakte. Ik wilde namelijk niet dat de KHT een van de drie bijzondere universiteiten was, in plaats van een van de dertien. Niet als de VU(7) protestant of als de KUN(8) katholiek.’

Is de Katholieke Hogeschool Tilburg vroeger toch wel als onderzoekscentrum voor katholieke politieke doeleinden gebruikt? Zijn berekeningen van het Rekencentrum aangewend als springstof om het kabinet Cals-Vondeling op te blazen in de Nacht van Schmelzer(9)?

‘Dat is niet zo. Ik zal het maar meteen vertellen hoe het was, want ik was erbij betrokken. In het Kabinet Cals-Vondeling had ieder ruzie met ieder, het was aan zijn eind. Ik weet dat omdat staatssecretaris Hoefnagels elke week op weg naar Limburg hier langskwam. Hij was staatssecretaris geworden nadat ik ervoor gevraagd was en bedankt had. Er was een machtsconflict aan de gang. We hadden uitgerekend – zonder het rekencentrum – dat er een gat van 400 miljoen in de begroting was. Maar het kabinet maakte geen enkel gebaar naar de Tweede Kamer. Het gat werd gewoon ontkend. Misschien 100 miljoen. Maar geen 400 miljoen. Eigenlijk moet de Nacht van Schmelzer de nacht van Cals-Vondeling worden genoemd. Tilburg heeft geen enkel aandeel gehad in de val van het kabinet.’

Van Dijck las op de cruciale laatste hogeschoolvergadering, 7 mei 1969, in een barstensvolle aula de verklaring van curatorium en senaat voor die het einde van de bezetting in luidde. ‘Het einde van de bezetting is grotendeels te danken aan wetenschappelijk medewerkers. Maagdenberg met name. Er moest een einde aan de bezetting komen. Dat kon niet anders. De studenten wilden tentamens doen. Het was inmiddels mei. Ze hadden niet voor niks gestudeerd.’ Hij herinnert zich nog een detail: ‘’s Avonds bij de hogeschoolvergadering mocht ik van Paul Jansma niet op de corona zitten. Maar zoiets laat ik mij niet zeggen.’

Einde bezetting - van Dijck leest verklaring
Van Dijck leest verklaring curatorium voor – Die luidt einde bezetting in.

De gebeurtenissen binnen en buiten de Hogeschool hadden blijvende gevolgen, ook voor persoonlijke verhoudingen. Zo raakten sommige hoogleraren die de studenten gesteund hadden, geïsoleerd. Onder hen professor Arnzt, filosoof en priester. ‘Arnzt was een halfzacht, weerloos mens. Hij had geen achterban, vertegenwoordigde geen gevaar. Ik geloof niet dat er oppositie gevoerd werd tegen hem. Dat had geen zin. Hoogstens werd tegen hem gezegd: “Jos, laat je niet zo makkelijk verleiden mee te doen met die jongens.” Misschien was het een man om achter de eis van one man one vote van de studenten te staan. Dan was het een onnozele, naïeve man. One man one vote was ondenkbaar en onwerkbaar. Die eis kon onmogelijk ingewilligd worden.’

Er bleef tegenstand bestaan tegen democratie in het universitair onderwijs. ‘Jeukens liet zich niets gelegen liggen aan het beloofde medebeslissingsrecht. Volgens hem was die onder dwang tot stand gekomen en wat onder dwang is overeengekomen, hoeft niet uitgevoerd te worden. Jeukens was niet in de haak.’

Ook over de universiteit nu, in Tilburg, heeft hij meningen. ‘Op dit ogenblik gaan we niet de goede kant op. We willen de beste universiteit van het land zijn. Dat wordt een doelstelling op zich en het hele beleid wordt daarop afgestemd. We moeten de beste wetenschappers hebben en de beste studenten. De beste proberen te zijn is funest. Er moeten ook matige hoogleraren zijn en matige studenten moeten hier ook een kans krijgen. Als alle leraren op een middelbare school gedreven topmensen zijn, slaagt er niemand meer voor zijn eindexamen.’

Over het gebruik van Engels: ‘Bij het vak economie kan dat. Maar niet bij de fiscale wetenschap. En ik hoop dat ook rechten in het Nederlands onderwezen blijft. Die wetenschappen zijn afhankelijk van nuances in de taal, nuances in het Nederlands. Daar kun je met Engels niks bereiken.’

Over zijn kinderen, hij heeft er zes: ‘Die zijn mijn redding geweest, door hen ben ik verzetsgevoelig geworden. Door hen ook, toen ze in Utrecht studeerden, kwam ik erachter dat de onderwijsprogramma’s slecht waren en dat daar met reden tegen geprotesteerd werd. Ik dacht ook: zo mogen ze mijn kinderen niet behandelen.’

Hier klinkt een echo uit oude tijden in door. Zoals de politie de bezetters van het Maagdenhuis behandelden, zo mocht dat met Tilburgse studenten nooit gebeuren,

 

 

 

VOETNOTEN

(1) Het kabinet-Cals was het Nederlands kabinet van 14 april 1965 tot 22 november 1966. In het kabinet-Cals was Vondeling minister van Financiën en viceminister-president.

(2) Links Front, later Nieuw Links Front: een linkse beweging die ontstond door het samengaan van linkse studentengroeperingen zoals Politeia, SVB (Studenten VakBond: de Landelijke Studentenvakbond is de belangenbehartiger voor alle studenten in het Nederlandse Hoger Onderwijs (HBO WO)) en KrU (Kritische Universiteit; door de SVB opgezet).

(3) Ton Koster was een linkse student die deel uitmaakte van Links Front. Hij was in meerdere opzichten een opvallende verschijning, zoals door zijn kleding en ludieke acties. Hij woonde op een van de studentenflats aan de Professor Verbernelaan. Zie verder het gesprek met hem.

(4) Verhoging voor in de aula van de uiversiteit.

(5) De Katholieke Leergangen: zo heette de lerarenopleiding te Tilburg; deze opleiding was de voorganger van  het huidige Mollerinstituut.

(6) De Academy of St. Martin in the Fields is een Engels kamerorkest dat werd opgericht door Sir Neville Marriner in 1959. De naam komt van de kerk St. Martin-in-the-Fields op TrafalgarSquare in Londen waar het eerste concert door het orkest werd uitgevoerd op 13 november 1959. (Wikipedia)

(7)VU: Vrije Universiteit in Amsterdam

(8) KUN: Katholieke Universiteit te Nijmegen, nu Radboud Universiteit. De Radboud Universiteit Nijmegen werd in 1923 opgericht als Katholieke Universiteit Nijmegen. Op 1 september 2004 is de naam van de universiteit veranderd in Radboud Universiteit Nijmegen.

(9) De Nacht van Schmelzer betreft de nacht van donderdag 13 op vrijdag 14 oktober 1966 en staat in de Nederlandse politieke geschiedenis bekend als de nacht waardoor na het indienen van de motie-Schmelzer (tegen de eigen regering gericht) het kabinet-Cals ten val kwam. (Wikipedia)

 

Dit bericht is geplaatst in Blogs. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.