FIONA CONRADS – INTERVIEW 2

 

IN GESPREK MET FIONA CONRADS

 

Fiona ConradsFiona Conrads is op 29 juni 1950 in Rotterdam geboren. Toen ze 6 maanden was, verhuisde het gezin naar de eerste na-oorlogse wijk in Breda: het Heuvelkwartier. Daar heeft ze op de lagere school gezeten. Ze deed HBS-B op de Nassau-HBS. Korte tijd studeerde ze politieke wetenschappen in Amsterdam, volgde een jaar lang een verpleegopleiding in Breda, verhuisde naar Tilburg waar ze sociologie studeerde aan de Katholieke Hogeschool Tilburg. Ze was een student-activist, woonde op de eerste studentenflat aan de Professor Verbernelaan, was actief in Sexpol (Sex en Politiek), een werkgroep die de functie en betekenis onderzocht van seksualiteit in politiek opzicht, maakte deel uit van de commune De angel in het Vleesch, woonde in andere woongemeenschappen en in anti-kraakpanden. Van 1969 tot 1979 heeft ze met student-activist Harry Verkooyen samengewoond, met name in de St Anna wijk waar beiden sociaal actief waren. Inmiddels woont ze 28 jaar samen met haar huidige vriend.

Fiona was in allerlei functies (stadsvernieuwing en wijk- en buurtbeheer, Immigratie en Naturalisatie Dienst, gemeentelijke organisatie) werkzaam voor de gemeente Breda. Nu is ze al zeven jaar directeur Beleid en Beheer bij de gemeente Gilze en Rijen. Sinds 1985 is Hulten haar woonplaats.

 

Fiona Conrads
Fiona Conrads

 

TELEFOONGESPREK VOORAFGAAND AAN ONTMOETING

Ik bel haar voor het maken van een afspraak. Fiona steekt meteen van wal.

‘Beneden de rivieren waren de studenten vooral gericht op het zuiden, op met name Parijs. Boven de rivieren waren ze gericht op Duitsland. De Tilburgse studenten pasten in de Franse cultuur, terwijl de studenten van boven de rivieren zich oriënteerden op Duitse theoretici en filosofen, met name Marx. Zo zocht Harry Verkooijen(1) Franse filosofen en activisten op en interviewde ze, en hij was naast Kloosterman de enige die dat deed. Wellicht heeft zijn achtergrond daar ook mee te maken: hij groeide op in Limburg. In Amsterdam ontbrak het Latijnse levensgevoel. De studenten daar waren meer elitair.

Vrouwen vervulden, in strijd met de theorie, toch niet meer dan een bijrol binnen de studentenbeweging. De gelijkwaardigheid van man en vrouw werd hoofdzakelijk met de mond beleden. De film Blow Up(2) geeft een beeld van hoe het toentertijd was: de vrouw als versiering.’

Fiona legde zich bij die situatie niet neer. Ze was een strijdbare vrouw en geeft daarvoor als verklaring: ‘Ik heb een Engelse moeder. In Engeland ging in de Eerste Wereldoorlog al een emancipatiegolf door het land. Vrouwen hadden daar meer rechten. Ze trouwde in 1946 en ontdekte toen dat ze in Nederland vanaf dat moment handelingsonbekwaam was. Daar was ze zeer boos over. Haar moeder was een ondernemend type en droeg haar eigengereidheid over op haar dochter. Daarnaast waren haar ouders de eerste generatie in de familie die geen middenstanders waren. Het was traditie binnen de familie om de dochter geld mee te geven zodat die zelf een zaak op kon zetten. Ze werkten tevoren in de zaak van de ouders en werden opgevoed tot zelfstandigheid.’

Harry Verkooijen en Fiona Conrads
Harry Verkooijen en Fiona Conrads

 

Ze vertelde verder dat ze in de periode van het studentenverzet (en daarna) veel geleerd heeft en blij is dat ze het allemaal meemaakte. ‘Ik ben dikwijls in het diepe gesprongen. Keek wel hoe het uitpakte. Dat heeft me sterk gemaakt en me gevormd tot de persoon die ik nu ben. Daar ben ik zeker over te spreken.’

 

HET GESPREK

Het blijkt dat Fiona Conrad tien jaar lang op een steenworp afstand van mij woonde, in de Akkerstraat.

Ze bezocht in Breda de Christelijke Nassau HBS en was daar met 16 jaar mee klaar. Twee maanden later, eind juni, zou ze zeventien worden. Bij haar in de klas zat een jongen die in het Bredase Jongeren Parlement zat. Dat parlement vergaderde in het stadhuis. Ze liep een keer mee naar binnen met de leden van dat parlement omdat ze benieuwd was hoe een zitting in zijn werk ging. Ook bezocht ze partijvergaderingen van gemeentelijke politieke partijen. Later nodigde ze leden van politieke partijen uit bij haar thuis met het verzoek haar te informeren. Gerritsen, gemeenteraadslid van de PSP, kwam ook bij haar thuis. – Haar ouders zaten boven, want omdat zij geen mannen boven op haar kamer mocht ontvangen, moest ze dat doen beneden in de huiskamer. Maar ze wilde niet dat haar ouders erbij waren. ‘Jullie wil ik er niet bij hebben.’ – Gerritsen had een goed verhaal. Ze wilde lid worden van de PSP. Maar dat kon toen nog niet, omdat ze nog geen 16 was. ‘Ze vroegen of ik actief wilde zijn voor de partij. “Kom maar bij mij thuis vergaderen.”’ Ze stak de rode vlag uit als de PSP bij haar thuis was. Niet tot genoegen van haar ouders. ‘Mijn oma vond het wel prachtig. Ze was voor de oorlog bij de beweging ‘Het gebroken Geweertje’ geweest en zag nu een kleinkind dat ook het pacifisme aanhing.’

Ton Koster was in Tilburg lid van de PSP. De afdelingen bezochten elkaar, zo leerde ze Koster in Tilburg kennen. Ze mochten elkaar en raakten bevriend. Niet helemaal het idee van haar ouders. ‘Ik wilde de school zo snel mogelijk afmaken, want anders was mijn jeugd voorbij. Vriendinnen gingen uit, kwamen ‘s nachts laat thuis en stonden de volgende ochtend laat op. Ik mocht dat allemaal niet.’

Ze ging in Amsterdam studeren. Politicologie. Eigenlijk wilde haar vader dat ze verpleegster werd, dan kon ze later goed voor haar familie en kinderen zorgen.

Omdat ze in de ogen van haar ouders een te wild leven leidde, haalden haar ouders haar naar huis en deden haar op de verpleegstersopleiding van het Diaconessen Ziekenhuis in Breda. Daar had ze het allerminst naar haar zin. ‘Maar mijn ouders hadden beloofd dat als ik één jaar afmaakte en nog altijd geen zin in die opleiding had, ik alsnog mocht gaan studeren. En ze verboden dat ik met Ton Koster omging. Ook in Amsterdam al mocht ik niet met hem omgaan. Dat heb ik dan ook niet gedaan. Maar op een zaterdagochtend hoorde ik dat hij geïnterviewd werd op de radio, bij de VPRO, en toen heb ik het nummer van de studio opgevraagd en gebeld. Ik kreeg hem niet aan de lijn, maar ze gaven me zijn nummer in Tilburg en ben zonder kaartje met de trein naar hem toe gegaan. Van toen af ging ik elk weekend op vrijdagmiddag van het ziekenhuis met de trein naar Tilburg en op zaterdagochtend ging ik dan naar huis. Ze wisten er niks van. Ton woonde in de Goirkestraat en was met een commune begonnen.’

Toen het jaar om was bijna, en ze niet verder wilde met de opleiding, kreeg ze van haar ouders te horen dat ze toch niet – opnieuw – in Amsterdam mocht gaan studeren. Ze was erg teleurgesteld en voelde zich bedrogen. Ze brak met haar ouders, ging naar Tilburg en trok bij Koster in, in de commune. Omdat ze bang was de kinderrechter op haar dak te krijgen, meldde ze zich bij maatschappelijk werk. Een maatschappelijk werker kwam op bezoek. ‘Wat die te zien kreeg! Het pand in de Goirkestraat was een niet afgebouwd café. De eigenaar was halverwege met de bouw gestopt: trappenhuis zonder dak, bij regen gutste het water naar binnen; geen toilet, in plaats daarvan een hokje met chemisch toilet, her en der pannen van het dak, verveloos. Dit was toch geen plek voor haar, vond de maatschappelijk werker. De rechter werd ingeschakeld en die vroeg in het bijzijn van haar ouders of hun dochter intelligent genoeg was om een wetenschappelijke studie te doen. ‘Natuurlijk,’ zeiden die. Hun dochter? Natuurlijk. ‘Nou, dan moeten we haar die kans ook maar gunnen.’ Ze kreeg een toeziend voogd toegewezen, een wetenschappelijk medewerker aan de Hogeschool.

‘Ton Koster speelde een grote rol bij de studentenbeweging. Hij had meer gezien van de wereld, wist beter dan de anderen wat de wereld te bieden had. Als scholier al was hij in de VS geweest, in het kader van een scholierenuitwisselingsprogramma. Hij bracht enige tijd door in het gezin van een leraar in de VS en maakte met hem een tocht per jeep door de woestijn, waarbij een gebroken as provisorisch gerepareerd werd met hout. Het was een avontuurlijke tocht. Maar ook zag hij daar dat er spijkerbroeken gedragen werden, en T-shirts, daar de normaalste zaak van de wereld. Hij droeg die kleding ook toen hij terug was in Nederland, en dat was zeer ongewoon. Hij werd als een rare, in elk geval opvallende figuur gezien, dat beeld kleefde aan hem en toen heeft hij dat imago maar geadopteerd. Ook werd hij geïnspireerd door PROVO.’

Fiona verhuisde van de woning van haar voogd naar de studentenflats.

 

studentenflat
In de studentenflat

‘Muziek was belangrijk voor de studenten. Pas later kwamen daar softdrugs, marihuana, bij. Nog later werd er door sommigen ook met hard drugs geëxperimenteerd. In die tijd had je de “bluesmannen” en “soulkikkers”. De bluesmannen hadden spijkerbroeken aan en leren jacks, de soulkikkers strakke jasjes en broeken met wijde pijpen. James Brown was hun idool.

 

Er was een politiek platform in Tilburg, Politeia, waar gediscussieerd werd en leden van allerlei gezindten uit de progressieve sfeer elkaar ontmoetten: Pvda’ers, PSP’ers, De Werkende Jeugd, studenten. Het succes van de studentenbeweging in Tilburg steunde op de aanwezigheid van figuren van divers pluimage die elkaar vonden en elkaar niet tegenwerkten. Een combinatie van onbezonnen durvers (doeners) en ervaren mensen. Doordat ze de handen in elkaar staken, kwam er iets uit. Ze opereerden vanuit een gemeenschappelijke gevoel, maar bleven van elkaar verschillen en waren daar vrij in. Het was geen belemmering. Toen de KEN sterk werd, was dat voorbij. Geen pluriformiteit meer. Wel dwang en discipline.

Kees de Boer was rechtlijnig. Als hij iets gelezen had en het sprak hem aan, dan moest het zo gebeuren. Hij leefde strikt volgens regels en een vaste overtuiging.’ Fiona vertelt een anekdote. Het voorval speelde zich af na de bezetting van de Hogeschool. Ze zaten in de commune. ‘Kees en Harry domineerden daar de discussie, ook die avond. Komen daar twee bomen van kerels binnen, broers van Kees de Boer: breedgeschouderd, blond, branieachtig. Ze sloegen ultrarechtse taal uit, “die arbeiders zullen we wel eens bijwerken, laten zien waar hun plaats is”. Ze waren jaloers op Kees. Hij had tenminste een commune gesticht. Hij was hen in stoerigheid voorbijgestreefd. Ze wilden daarvoor wel even verhaal komen halen.’

Affiche van Harry Verkooijen
Affiche van Harry Verkooijen

Nadat Reimut Reiche was ontdekt, zijn boek Seksualiteit en rassenstrijd, moest het gebeuren zoals het daarin voorgeschreven stond. Daaruit kwamen de ideeën van vrije seks voort. Fiona heeft er niet aan meegedaan. ‘Vrije liefde is iets anders dan vrije seks,’ zegt ze. ‘Idealiter mocht het geen probleem zijn met willekeurig welke man of vrouw mee te gaan. Er mocht geen verschil zijn tussen man en vrouw. Toch zaten er in de praktijk risico’s aan voor een vrouw.

Kees danste niet. Hij was een intellectueel mens. De anderen waren levensgenieters, waren veel losser. De club rond Kees de Boer was saai. Gelijkhebben, daar ging het om. Er was maar één weg. Het was een sekte. Heel beperkend en griezelig. Als je er eenmaal in zat, kwam je er niet makkelijk meer uit.

Harry Verkooijen was een artistiek mens. Hij tekende, schilderde, schreef gedichten. Hij was ook een theoreticus. Hij had een brugfunctie, zat tussen de theoretici, abstract denkende activisten, en de vlotte jongens in.’

Fiona en Harry Verkooijen werden aangetrokken door Bakoenin, waren anarchistisch georiënteerd.

Ze nam ook deel aan acties in andere steden, waaronder Amsterdam. ‘De Brabanders vonden elkaar wel bij grote evenementen en demonstraties. Ze hadden meer branie dan de Amsterdammers. Die waren arroganter en vonden dat Brabanders onbetrouwbaar waren. Een groep Trotskisten uit Oss voerde dikwijls de troep aan. Dat was een hechte en gedisciplineerde groep die wist wat ze wilde. Marijnissen zat er ook bij. Als wij wilden dat een proteststoet rechtsaf ging, dan gaven we dat aan hen door, de Osse groep nestelde zich vooraan en hup, we gingen rechts.’

Na de bezetting ontstond de commune De angel in het vleesch. Die vond onderdak in een oude slagerij. Leden: Guusje en Kees, Harry en Fiona, Frans en Pauline.(3) Na enkele maanden trokken vier mensen zich terug, onder wie Fiona en Harry. ‘De naam Angel in het vleesch was ook een toespeling op de slagerij. Die had een schoorsteen, daarin werd misschien ooit vlees gerookt.’

Na de bezetting zaten de gedreven activisten met een enorme kater: ‘Elk clubje heeft op zijn eigen manier geprobeerd daarvoor een oplossing te vinden. De beweging waar je je ziel en zaligheid in had gelegd, lag uit elkaar. Dat kwam hard aan bij Harry.’ – Zijn vader was wethouder in Echt, Limburg, en door met hem discussies te voeren raakte Harry politiek bewust. – ‘We hadden geen toekomst. Voor dat gevoel zochten we een verdoving. Harry dronk meer dan goed voor hem was.’ Het boek Kommune von Kronstadt, van Ida Mett, was een inspirerend boek voor hen, de commune was een voorbeeld.(4) Dat gold ook voor de communes van Parijs.

Bezettingsvergadering in de aula
Bezettingsvergadering in de aula

Fiona vatte aan het einde van het gesprek de studentenbeweging samen in één zin: zoeken naar geluk, naar de goede manier van leven. Toen ook al: niet alleen zware theorie, maar ook feesten.

Toen ik zei dat het met een opmerkelijke gedrevenheid gepaard ging, met politiek engagement en de investering van veel energie, antwoordde ze dat dat inherent was aan het streven. Je kunt geen geluk ervaren als het overal om je heen zware ellende is. Bij geluk hoort ook dat het met de anderen goed gaat.

Haar dagboekaantekeningen uit de tijd erna staan bol van uitroepen als: ‘Ik heb niks meer met demonstreren en protesteren. Wat moet ik nog met vergaderen (…), vergaderen.’ Er sprak een enorme kater uit die notities en de weerzin zich nog met de linkse idealen te vereenzelvigen. ‘Waar moet het heen? Welke richting moeten we op?’ Het waren de telkens terugkerende vragen van zowel haarzelf als haar vriend Harry Verkooijen. Ze wisten zich geen raad. Zaten opgesloten in een doodlopende steeg. ‘We hoopten dat zich vanzelf iets zou aandienen. Zelf wisten we het niet.’ Hun hoop die wanhoop was, hield jaren aan.

Daarom gingen ze meer met de mensen in hun arbeidersbuurt om dan met hun kennissen uit de studententijd. Ik vroeg waar ze hun domicilie hadden? Ze bleken tien jaar, tot 1985, in de Akkerstraat gewoond te hebben, bijna tegenover Café Het Klompke. Het was wonderlijk dat onze paden elkaar niet één keer kruisten, want het huis van mij en mijn vriendin bevond zich op niet meer dan een steenworp afstand van Het Klompke, in een zijstraat van de Akkerstraat: de Paterstraat. Ze vertelde dat ze er jarenlang prettig woonden, totdat de sociale structuur van de buurt uit elkaar werd gerukt door de renovatie. Mensen vertrokken voorgoed, zoals een pater familias van een familie bestaande uit diverse gezinnen. Er kwamen asociale typen te wonen en lui met een kwalijk oorlogsverleden. Een Surinamer die er kwam wonen, werd bedreigd. Er was dikwijls geweld, in het café werd gevochten. Zij en Harry Verkooijen kwamen daarom niet meer in het café.

Fiona en harry Verkooijen op een bruiloftsfeest
Fiona en Harry Verkooijen op een bruiloftsfeest

Ik onderging het als iets merkwaardigs dat de studentenactivisten van eind jaren zestig jaren later nog altijd idealen probeerden te verwezenlijken die ze opgedaan hadden in marxistische literatuur. Dat ze zo strak in de leer waren of dat hun denken zodanig gevormd was dat ze zich geroepen voelden onder arbeiders te gaan wonen, wat in dit geval neerkwam op het wonen in een sociaal twijfelachtig milieu. Nog altijd leefde het begrip van solidariteit met de arbeider, met de lagere klassen,

Daaruit blijkt dat er een grote gewetensdwang achterbleef bij sommige activisten toen de linkse beweging was verwaterd en weggeëbd.

CITATEN UIT EEN E-MAIL VAN FIONA CONRAD

Het gesprek werd gevolgd door een uitvoerig e-mail. Daaruit citeer ik relevante passages.

(…)Na het gesprek met jou komen herinneringen boven. Ik heb me afgevraagd waarom die periode voor ons zo traumatisch was. Waarom het zoveel moeite heeft gekost om het leven te hernemen.

Misschien omdat het studeren, de maatschappij verbeteren, een goede toekomst voor jezelf opbouwen tot een en hetzelfde doel en een en dezelfde activiteit geworden was. En omdat ons ambitieniveau zo ontzettend hoog was.

Fiona bij de schoorsteen van de communeWij studeerden niet om een papiertje te halen waarmee je later een goede boterham kon verdienen of waarmee je in de ogen van anderen iets meer bereikt zou hebben. Wij studeerden omdat we werkelijk kennis wilden vergaren en niet zomaar de huidige kennis, maar werkelijk willen doorgronden hoe het zat. Studie was niet alleen het verleden doorspitten en kennis nemen van wat er aan onderzoek vergaard was op allerlei gebieden, maar ook zelf onderzoeken en experimenteren. We deden sociale experimenten met onszelf. In een commune gaan wonen is daar een voorbeeld van. Dat is dus 24 uur per dag studeren eigenlijk. Uit dat onderzoek zouden handvaten moeten komen hoe je de maatschappij (en dus ook ons eigen leven) zou kunnen verbeteren (de geïndustrialiseerde maatschappij: we hadden geen nostalgische hang naar tijden daarvoor, hoewel daar wel sympathie voor was. Voor ons waren de middeleeuwen nog niet zo donker). Geen mogelijkheden of probeersels, maar echte kennis (“waarheid”). Dat gaat verder dan participerend onderzoek, verder dan laboratoriumonderzoek. De mensen waarmee we dat wilden doen (zowel de experimenten als de maatschappij verbeteren), waren tegelijk onze (enige) vrienden en onze kameraden in de strijd. Geen wonder dat we ons spiegelden aan mensen als Fidel Castro en Che Guevara. Vandaar ook onze interesse voor experimenten zoals de Parijse Commune en de Commune van Kronstadt en de verwording van sociale bewegingen in Rusland. Als we er achter konden komen wat het goede was (het idealisme van groepen mensen die in beweging willen komen is een vereiste: we waren wel revolutionair) en waarom het verkeerd ging, dan konden we verder komen. De vleugel rondom mensen als Ton Koster, Harry Verkooijen, de “artistiekelingen” vonden in elk geval wel dat het Leninisme een verwording was, dat dus een systeem zou produceren dat onmenselijk zou worden. De vleugel rondom Kees de Boer vond dat niet, die zijn juist de degelijke Duitse kant op gegaan en daar is dan het KEN uit voort gekomen.

Onze generatie hield zich bezig met de verwording van het Duitse rijk. Mijn ouders hebben zich nooit zo druk gemaakt over de holocaust. Het was erg, maar er zijn ook anderen vergast en bij bombardementen omgekomen. Ik heb de indruk dat de generatie na ons ook niet zo met de holocaust bezig was. Het nationale schuldgevoel waardoor wij pro-Israël waren en tegen de Vietnam-oorlog heeft daar ook mee te maken. Op de christelijke scholen waar ik gevormd ben, was de vraag hoe je fout van goed kan onderscheiden erg belangrijk (achteraf wisten we wie fout en wie goed geweest was, maar hoe weet je dat van te voren). Dat raakt ook aan de coryfeeën van de Frankfurther Schule: hoe kunnen we verklaren dat de Nazibeweging groot kon worden en kon doen wat ze gedaan heeft. De sociologen en psychologen van die school werden in de jaren zestig door ons uitgekauwd op een moment dat ze nog niet in de onderwijsstof waren opgenomen (dat zal kort daarna wel gebeurd zijn, denk ik).

Een veronderstelling was dat het fout kan gaan bij eenzijdigheid. Kennelijk ontbrak er iets, waardoor het scheef ging en de verkeerde kant op ging. Eenzijdigheid is dus een risico (een eenzijdige economische, juridische of politieke benadering). Onmenselijkheid is ook een risico. Het verdringen van menselijke belangen is dus ook een risico (het onderdrukken van libido, een afkeer van uitingen in kunstzinnige sfeer is dus verdacht). Dat verklaart ook waarom we een gebrek aan spel en aan “artisticiteit” wantrouwden (ook een onderscheid met de Kees de Boer-groep). De vervreemding (volgens de jonge Marx) is een risico. De disciplinering die met de industrialisering samengaat (hygiëne, uren op school zitten, uren huiswerk maken, doen wat de baas zegt, je aanpassen aan het ritme van de machine i.p.v. het ritme van de dag en van de seizoenen) is verdacht. Dus sociale bewegingen die dat sterk in zich hebben, zijn ook verdacht. Hulpmiddelen bij het achterhalen van wat goed en wat fout zou kunnen zijn. Oversteken naar de foute kant is een doodzonde.

Als je met 100% inzet van je privéleven aan de goede kant wil staan en de kant die je gekozen hebt, blijkt niet te deugen (zie bijvoorbeeld ook de opmerking van Ton Koster in de HP dat hij er geen zin meer in had op het moment dat hij ontdekte dat de zaal te manipuleren was), dan verlies je op dat moment je vrienden, je doel in je leven, het nut van je studie, zonder dat je daar iets anders voor kunt vinden (want oversteken kan niet). Die enorme inzet was wel naïef. Iedereen die iets ambitieus’ wil bereiken kan niet al te zeer open staan voor mogelijke beren op de weg, maar daarmee sluit je toch wel de realiteit buiten. Dat is denk ik de reden dat de mensen in het HP-interview zich daarvoor schamen. Omdat het dus een beetje dom is. Ook omdat we allemaal vroeg of laat de draai hebben moeten maken omdat de weg doodliep. Ook omdat we ervoor gekozen hebben outcast te zijn. Als je daarna met hangende pootjes weer aan de poort van de gevestigde orde klopt dan loop je niet te koop met je lange haren en met je extreme opvattingen. Dan blijf je even low profile.

Je ziet dan ook dat de brede beweging uiteen valt in steeds kleinere groepen van mensen die elkaar nog goed vinden. Wij zijn met z’n vieren (Harry, Frans Godfroy en zijn vriendin en ik) van de Goirkestraat commune (de tweede: Angel in het vlees) naar de Hasseltstraat gegaan. Er kwamen daar mensen bij en er gingen er weg. We zijn op een gegeven moment naar de buren verhuisd (volgens mij zat Dick de Graaf daar ook, maar dat weet ik niet zeker meer). Tenslotte gingen Harry en ik ook andere wegen op. Harry vond nog een weg in vergaande filosofische richtingen (daar sloot de beweging van de Parijse Situationisten goed bij aan), waardoor hij weer contact had met een groep gelijkgestemden (ook in Amsterdam zaten er een paar). Ik zag daar niets in. Het was zo sterk intellectueel, dat ik daarmee de binding met mijn gezonde verstand (mij zelf als gewoon en heel mens) zou verliezen. Mijns inziens was dat ook wat er met Harry gebeurde. Ik ging daar niet in mee en hoewel we nog een tijdje bleven samenwonen en erg emotioneel aan elkaar gehecht waren, leidde dit toch tot de laatste splitsing: de “groep van twee” werden twee individuen. Harry is blijven zoeken en heeft toen ook het contact met Herman Coenen uitvergroot.

Ik heb het meer gezocht in een gewoon mens onder de eenvoudige mensen worden (ideologisch was het zonder meer verantwoord om je onder de “arbeiders” te begeven, zelf arbeider te worden). Ik vond daar gezelligheid, ruimte om te doen wat ik leuk en nodig vond en kameraadschap. Wij woonden al in een buurt waar veel onderlinge hulpverlening was met gesloten beurzen. Ik kon actief worden samen met mijn medebewoners in de inspraakorganisatie van de buurt en actief worden in de hondenclub (ook niet echt een elitaire bedoeling). Van daaruit kon ik de stap maken om te gaan werken en in een gewone baan te proberen wat voor de mensen te betekenen. Ik heb een relatie opgebouwd met een zoon van arbeidersmensen. Die had geen last van linkse gewetenswroeging. Hij vond het juist een uitdaging om wel carrière te maken en ook in materiële zin meer te kunnen dan zijn ouders. Dat was heel relativerend.

Toen de jaren zestig weer hip werden (tenslotte kan een extreme linksist in Duitsland zelfs premier worden) en het niet meer een schande was om aan de actie meegedaan te hebben, toen kwam er pas ruimte voor het besef dat we best trots mogen zijn op ons enthousiasme en ambitie. Dat we veel geleerd hebben en dat we als persoon in die tijd ook veel gegroeid zijn. Voor mij was dat het moment dat een wethouder in Breda toen hij het interview in de HP gelezen had, mij speciaal wilde vertellen dat hij het leuk vond dat ik erbij was en dat hij die bewegingen toentertijd met veel belangstelling gevolgd had.

Het idealisme en de inzet zijn wel gebleven, maar de ambitie is wat lager. Dat is beter vol te houden. Zo kan ik ook midden in de maatschappij blijven functioneren. Ik moet mezelf af en toe wel geweld aandoen, maar dat gebeurde in de communes en in de kleiner wordende actiegroepen ook, dus dat hoort bij het leven, denk ik maar (no pain no gain).

Het leuke is wel dat de club die toentertijd eigenlijk behoorlijk Fout was (de SP in Oss), omdat de leden erg gedisciplineerd waren en hiërarchisch, een werkwijze hadden die wel past bij hoe ik tegen de wereld aankijk. Ik heb in een interview gelezen hoe Jan Marijnissen in die club terecht kwam en er aan verknocht raakte. Dat kan ik me heel goed voorstellen. Zo zat de wereld indertijd in elkaar als je op een bepaalde plek terecht gekomen was (ik vanuit mijn voorgeschiedenis, Harry vanuit zijn ouderlijk huis, Kees met zijn broers, Frans met zijn ouders). Al onze individuele geschiedenissen passen in een tijdsbeeld. En met onze reactie daarop hebben we samen een nieuw tijdsbeeld geschapen. Sommigen zaten vanuit hun voorgeschiedenis niet aan het front van deze beweging, anderen juist wel.

Het is een handicap en pech (we hadden meestal niet de leukste voorgeschiedenis, we zijn teleurgesteld in onze verwachtingen en we hebben op het punt van carrière ingeleverd) tegelijk met een kans en mazzel (we hebben een korte periode heel intensief geleefd, veel geleerd en carrièrematig veel ingehaald). Ik had het in elk geval niet willen missen.

Het enige jammere is dat de vrienden zich van elkaar hebben afgewend. Ik denk dat de verschillen niet zo groot waren als we toen dachten. Die ideologenstrijd is verspilde energie geweest.

Je hoort nog van me.

 

 

VOETNOTEN

(1) Vanaf 1969 vriend en partner van Fiona Conrads

(2) Regie: Michelangelo Antonioni, met: David Hemmings, Vanessa Redgrave, Sarah Miles, John Castle e.a., 1966. ‘In zekere zin is ‘Blow-Up’ natuurlijk verouderd: een swingende fotograaf die naar vrouwen verwijst als ‘birds’ en dingen zegt als ‘fab’. (…) En ‘Blow-Up’ is een ideeënfilm, waarin concept en diepere thematiek belangrijker zijn dan de plot. Dit is typisch zo’n film die allicht enkel genietbaar zal zijn voor mensen die min of meer serieus met het medium bezig zijn.’ (Dennis van Dessel, www.diggl.nl)

(3) Guusje van Daele, Kees de Boer, Harry Verkooijen, Frans Godfroy.

(4) Karin Kramer Verlag, Berlin-Neukölln 1971, uit Frans in Duits vertaald: La commune de cronstadt.

 

P.S. Wie wil reageren door middel van een tekst (herinnering, commentaar, anekdote, aanvulling) of foto of anderszins, neme contact op met Jasper Mikkers: jaspermikkers@home.nl.

Dit bericht is geplaatst in Blogs. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.