OORRING EN GROEN HAAR(1)

 

1.

‘Daar!’ ‘Wie?’ ‘Die zonaanbidder op zijn plastic stoel.
Met een oranje sok houdt hij zijn flesje koel.’

‘Hij heeft een goeie dag, swingt met zijn heupen.’
‘Eén vingerknip, en de hond ligt aan zijn voeten.’

‘Tikt met slangenleren neuzen wormen uit de grond.
Geeft de bal een hakje, stoelpoten als goal.’ ‘Ja, dag.’

‘Is dat zijn zoontje? Oorring en groen haar.’
‘De kop van Bauer is geschilderd op de bal.’

‘Het is… Wat? Punk! Gothic! Metal! Verwilderd.’
‘Dansmuggen schrijven zijn verlangens in de lucht.’

‘Zijn vader roept naar achter, door de open deur.
Vol flinke tieten zit zijn taal.’ ‘Is dat geen merel?’

‘Ze brengt hem bier.’ ‘Haar benen zijn te kort.’
‘Strak truitje, blond en lipstick, wit gelakte nagels.’

‘Ze heeft iets, ook al zal ik er mijn handen niet aan branden.’
‘Spartelt prachtig in de bakpan van het leven.’

‘Ze speelt piano in de keuken op een kilo spareribs.’
‘De spijkerstof spant om haar billen.’ ‘Ach. Bijna Bach.’

 

2.

‘Hij heeft zijn moeder op de Bedfort vastgebonden.’
‘Hij rijdt ermee naar een familiefeest.’

‘Ze schuilen voor een zon die er niet is.’
‘Ze dromen meer dan dat ze doen.’

‘Haar paradijs is La Poubelle. C 1000 haar Efteling.’
‘Hij vouwt zijn dromen op en legt ze in de kelderkast.’

‘Een kat in een vogelkooitje.’ ‘De imperial buigt door.’
‘Onder de bomen staat ook stilte klaar om ingepakt te worden.’

‘Je ziet ze nooit ergens.’ ‘Ze zijn niemand tot last.’
‘Hij draagt altijd zo’n ding.’ ‘Wat is er toch met haar gezicht?’

‘Shakespeare liep gister door de straat, stoned als een vis.’
‘Ze groet geen vreemde man, naar binnen is haar blik gericht.’

‘Van de krant leest hij de achterkant, reclame van de Lidl.’
‘Ze geven wel om eer.’ ‘Oh Allah,’ snikte ze,

‘hak af mijn handen, want ze doopten zich in schande.’
‘Hakken vinden ze heerlijk. Koppen. Kippenpoten.’

‘We worden weer gepakt.’ ‘Steeds wij.’ ‘En op haar eiland
tovert Wall Street alle erven van Onassis om tot varkens.’

‘Ze zien zich graag in spiegels en geglitter.’
‘Onder hun nagels zeilt Odysseus van Ogygia naar de Phaiaken.’

 

3.

‘Gras is mooi.’ ‘Het groeit het hardst waar het niet hoeft.’
‘Ze dromen allemaal van een Lamborghini of Ferrari.’

‘Kun je parfum ruiken in luchtledigheid?’ ‘Vast.’
‘Er is wel warmte.’ ‘Ze geven om elkaar.’

‘Daar is de dochter.’ ‘Ze zorgt.’ ‘Ze leeft gespleten.’
‘Ze zijn schuw.’ ‘Ze leven in hun kinderen.’

‘Haar iris glanst als goud achter glas.’
‘Ze ruiken naar eten.’ ‘Wat zegt ze nu?’

‘Ze opent haar handpalm. “Kijk!” zegt ze,
”je kunt erin wonen. Alles is er.”’

 

4.

‘Wanneer ben je?’ ‘Moeilijk.’
‘Maakt geld de mens of maken mensen geld?’

‘Vind je?’ ‘Geld is karakter.’ ‘Ik hoor gezang.’ ‘Geld maakt smaak.
Geen geld stinkt.’ ‘De bewolking breekt. Toch nog een glas?’

‘Geen geld zweet, heeft kalknagels, een slechtzittend gebit.’
‘Schijt uit een ongeschoren reet, omringd door bloemetjesbehang.’

‘Neukt met harde stoten.’ ‘Als ze maar een auto hebben.’
‘Wordt een mens door geld niet uit zijn schoenen weggeschoten?’

‘Het geld schrijft alsmaar nieuwe testamenten. Denkt aan de dood.’
‘Ze sluiten zich voor vreemden af.’ ‘Geld leeft in een graf.’

‘Soms wil ik wespen kussen.’ ‘Als ik naar haar kijk.’
‘Soda wordt niet meer gebruikt.’ ‘Ze heeft haar haar gewassen.’

‘De een een achterplaats, vloer voor een partytent.’
‘De ander badkamers van marmer, hekken, een alarmsysteem.’

‘Het geld is nergens te traceren meer, sluist zich weg,
maakt zich onzichtbaar, heeft geen naam meer en bestaan.’ ‘Hallo!’

‘Ja?’ ‘Ben je dan nog?’ ‘Het is te warm, maar toch.’
‘Ik stop.’ ‘Ik zoek mijn bed ook op.’ ‘Ik zie je morgen weer.’

 

(1) Dit gedicht schreef ik voor de Quiet 500, op uitnodiging van Anton Dautzenberg. Quiet 500 is een glossy magazine dat is uitgegeven als een knipoog naar en persiflage op de Quote 500. De Quiet 500 laat de verborgen armoe zien in Nederland en spoort miljonairs aan om ideeën te leveren die gebruikt kunnen worden om die armoede te bestrijden. De Quiet 500 is o.a. in Brunawinkels te koop.

Het idee om de Quiet 500 uit te geven kwam van de in Tilburg woonachtige schrijver Anton Dautzenberg. Samen met Ralf Embrechts realiseerde hij dit idee ook.

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in Gedichten, stadsdichter. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.