Toespraak van Charles Vergeer – 8 november 2013


Ter ere van Jasper

‘Onorate l’altissimo poeta (…)’ Menig Italiaan zal meteen de stem van Dante herkend hebben en wellicht enkele regels opgezegd hebben. In Duitsland kunnen mensen datzelfde met hun klassieke dichters, Goethe bijvoorbeeld. Kom daar eens om in Nederland: ‘waar werd oprechter trouw’ valt nog te proberen maar iemand die twintig regels Vondel, Hooft of Huygens – Bilderdijk mag ook – uit zijn hoofd kent, moet ik nog tegengekomen. Een Italiaan zal weten dat de tekst vervolgt met ‘L’ombra sua torna, ch’era dispartita’ en weten dat de schim van Vergilius met Dante teruggekeerd is uit de hellevaart en dat het Paradijs wordt betreden. In het gezelschap bevinden zich Homerus en de Romeinen Horatius, Ovidius, Lucianus en Statius en de dichter is vereerd ‘Si ch’io fui sesto tra cotanto senno’, in dit gezelschap als zesde opgenomen te worden.

Jasper Mikkers werd de zesde stadsdichter van Tilburg. Voor hen die denken, de eerste was natuurlijk de beste en daarna mocht een tweede keuze in diens schaduw gaan staan, terwijl het bij drie en vier al zoeken en behelpen was, voor hen die zo denken is geen kruid gewassen. Jasper Mikkers is een heel goede dichter en hij woont al lang in Tilburg maar is daarmee nog geen geëigende stadsdichter. Iemand die met blije schoolklassen om hem heen een feest gedicht declameert aangaande de nieuwe straatverlichting op de Heuvel. Of een olijke zang bij de ruzies ten stadhuize, of de intocht van de Goedheiligman. In dier voege is Jasper Mikkers geen stadsdichter – waarmee ik helemaal niet zeg dat zijn voorgangers zo wel waren. Jasper Mikkers is meer een landelijke dichter dan een stadsdichter. Hij publiceert niet voor niets bij in Amsterdam gevestigde uitgevers. Landelijk is hij wellicht ook in de andere betekenis van het woord: zijn hart verpacht aan zijn geboortestreek. Onlangs nog in een prachtig en poëtisch verhaal over een wandeltocht langs Brabantse wateren. Al wat jaren terug hoorde ik hem heel bewogen, tot tranen toe, een felle aanklacht en liefdeskreet voordragen, een lyrisch gedicht over zijn geboortestreek, het Dommel dal bij Liempde dat door herstructureringsplannen werd bedreigd. Mevrouw de gedeputeerde luisterde aangeslagen. Maar de taal van het beleid, in de onvruchtbare wereld boven de boomgrens overstemde die van de dichter over de rimpels op het water en het buigen van het riet.

Jasper Mikkers is geen dichter van stad of land. Het beeld dat ik van hem heb, is eerder dat van een toevallige ontmoeting in de Tuinstraat, op weg voor een wekenlange reis in Siberië. Achter me zijn prachtige foto’s opgehangen van Jasper – in de beide betekenissen van deze genitief – in Afghanistan, Latijns Amerika, Delphi en overal elders. Hij is op weg, steeds weer. De landmeters van de keizer is een gedicht dat ik vaak herlas: ‘Er is geen vreugde bij het bereiken van de bron, / slechts moeheid, en de onwil een leger in te richten / voor de nacht.’ Dat zijn de openingszinnen, en het gedicht sluit met: ‘We worden niet gekweld door vragen, kleinigheden, / de diefstal van een kip, de verjaardag van de keizer. / Als we op reis zijn (…). Dit lange gedicht werd ook opgenomen in de laatst verschenen bundel: We zijn al lang onderweg. Een programmatische titel. De dichter is onderweg. Waarnaar? Als Heraclitus die als eerste zei: ‘Ik zoek mezelf’.

Wie is deze dolende, dwalende, zoekende ziel? ‘Omringd door wijzen en geleerden, ten slotte, / zullen we vernemen (…)´, oorlog en vrede en alle grote en grootse zaken, maar vooral ‘waarheen we, zo snel als mogelijk is, dienen te vertrekken.’ De zoektocht begint al bij de naam. In het zuiden bekender als Jasper Mikkers, in het noorden meer als Tymen Trolsky. Onder die laatste naam las ik zijn eerste romans, die ik daarna aan mijn zusje gaf, die er nog te jong voor was. De tweede tegenstelling, verscheurdheid is die tussen proza en poëzie. We kennen niet zoveel schrijvers die beide kwaliteiten bezitten.  Een groot dichter als J.C. Bloem schreef daarnaast proza van weinig waarde. Gerard Reve schreef prachtige gedichten naast zijn romans en verhalen, maar het blijft in versregels gezet proza. Jasper Mikkers bezit beide kwaliteiten, en gaat eronder gebukt. Hij verloochent het een wel eens omwille van het ander. Een andere tegenstelling in de zoektocht is in zijn romans en verhalen wellicht aanwijsbaar: op zoek naar de ander en tevens met een hoog autobiografisch gehalte. Ook in zijn persoon zijn de beide zijden van de zoektocht aanwezig. Wat kan hij bijna bars en stoer voor zijn mening uitkomen om daarna weer een bijna schuwe beschroomdheid en terughoudendheid te tonen. Een mildheid onbeschrijflijk.

Een dichter doet niet zomaar iets. In het Grieks zijn het maar twee extra letters nodig die het verschil aanduiden tussen poiõ, doen en poièsõ, dichten. Het eerste is het alledaagse, gewone doen, het poièsõ is het vervaardigen waarvoor je over een vaardigheid dient te beschikken. Het is het vervullen van een daad, het maken van iets dat ertoe doet. Herodotus spreekt over het maken van wijn, van gouden sieraden als poëtisch. Plato gebruikt het voor het scheppen, vormgeven van iets waarbij beelden en metaforen gebruikt worden. In de Phaedros wordt het woord voor het eerst gebruikt voor dichten. Hoger honing dan wijn en goud. De dichter is de vervaardiger bij uitstek, zegt Plato, want hij gaat door het scheppen van beelden boven de werkelijkheid uit. Dichten is een kunst die in de boeken over Topica en Rhetorica aan regels onderworpen lijkt te worden. Eerst komt de vondst – inventio – het vinden van de woorden en beelden. Dan de opstelling – dispositio – de volgorde van woorden en beelden. Dan de zeggingskracht – elocutio – waardoor de woorden je raken. Dan het beklijven – memoria – het dusdanig zeggen dat de woorden je bijblijven. En tenslotte het spreken – actio – de wijze waarop de dichter wat hij droeg in zijn ziel voordraagt.

Al bij het eerste, het vinden, toont Jasper Mikkers vaak zijn meesterschap. Hij combineert daarbij alledaagse inkijkjes op de werkelijkheid – ‘De deur naar het balkon staat open´,  met heel wonderlijk poëtische beelden. ´Achter de knotacacia´s, voorbij het oude wijnhuis,  verdrinkt een pauw in zijn trompetputschreeuw. Kamperfoelie rankt om Caribische muziek.´

Woorden en beelden maken, eigenmachtig, leidt tot gekunsteldheid. Kunst daarentegen is het vinden. Het zijn allemaal passieve vormen. Wat zegt een gedicht je. Wat vind je ervan. Er schiet je iets te binnen. Je krijgt een idee. Iets valt je op of te binnen. De kunst van de inventio is niet het rijmen, maar het vinden en dichten. De dichter die schrijft, ´Ik ben de grote minnaar zonder ruste´ en daarna voorspelbaar de tweede regel laat eindigen op ´kuste´, die laat twijfel toe aan zijn dichterschap. Bij Jasper Mikkers valt juist de verrassende trefzekerheid op van de vondsten. Zien is bij hem doordringen en verwezenlijken. Wat gevonden wordt, is verwezenlijken. Ik wil zijn dichterschap niet meten met dat van anderen, maar hij schenkt me dezelfde warmte die ik voel bij twee lievelingsdichters van mij, Jan van Nijlen en H.W.J. M. Keuls. Als er na Victor van Vriesland en Gerrit Komrij, beide geen grote dichters maar goede beoordelaars van poëzie, weer een bundel zou verschijnen met Nederlandse gedichten, zou ik willen pleiten voor Bloesemgeur in de laatste bundel. In het Brugse Gruuthuse handschrift is de unieke tekst te vinden van misschien wel het mooiste Europese liefdesgedicht, vol verlangen en verdriet. ´Egidius, waar best du bleven – mij langt na dij,  gezelle mijn – Du koors die dood – du liets mij ´t leven – Egidius waar best du bleven.

Van een even bange, wrange, schuwe erotiek is Bloesemgeur vervuld. Als in grote poëzie zoals de ballade van Goethe over de nachtelijke tocht van de vader met zijn zieke kind, vervuld van koortsige dromen en met de gruwelijke ontknoping pas op het laatste woord, ´das Kind war Tod´ – zo ook Bloesemgeur. Als alle echte erotiek wordt er nauwelijks iets rechtstreeks gezegd maar is de heesheid en heftigheid verborgen gehouden in het nauwelijks aangeduide. Niet de jongen noch het dienstmeisje die genoemd worden, maar in een enkel nauwelijks gezegd woord wordt het verlangen gewekt en gestild. Een klassiek erotisch gedicht met de huiver voor het echte, heftige verlangen.

Toespraak op 8 november 2013 gehouden in de openbare bibliotheek van Tilburg tijdens een avond rondom het stadsdichterschap van Jasper Mikkers.

Dr. Charles Vergeer

 

Dit bericht is geplaatst in Artikelen, Geen categorie, In de pers. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.