XII

Met mijn jagershoed en slecht geslepen geweer
holde ik door de bossen
en zette vallen voor het vals,
laag bij de grondse dichtwild,
puntte mijn geweer aan.

Ja, hij struikelde, mijn veer,
mijn aangepunt geweer, toen hij zong voor jou
dit kleine, luid piepende gedicht,
dit laatste lied voor de winter.

Eenzaam dwalend.

Gebroken flessen, gebroken liederen.
De herfst, luid snikkend, als toen,
nee, die komt nooit weerom, ach,
zal nooit meer zo mooi zingen,
voor jou, als toen…

Uit de afdeling Elf aangewaaide liederen:

Dit bericht is geplaatst in Poëzie. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.