Uit: ‘Het einde van de eeuwigheid’ – Boek 1 – ‘Heimwee’

Een kleine pater betrad het klaslokaal. Zijn zwarte baard reikte tot aan het koord om zijn pij. Achter de brillenglazen gevat in een bruin montuur, ging een oplettende blik schuil. Zijn dikke hoofdhaar was messcherp gescheiden in het midden vanwaar het naar twee kanten schuin naar achter was gekamd. Onder zijn arm klemde hij een stapel boeken. Zijn linkerhand rustte, de duim achter het koord met de rozenkrans gehaakt, op zijn ferme buik. Pater Jacintus, leraar biologie, zo gaf het rooster aan. Zonder op of om te zien liep hij naar de katheder, trok zijn pij omhoog waarbij de houten kralen van de rozenkrans een rammelend geluid maakten, en stapte op de verhoging met de lessenaar en lerarenstoel.
Na een blik in het klassenboek sloeg de pater zijn ogen op naar de klas. Hij telde de leerlingen, krabbelde iets met zijn pen en stapte van het podium. “Heren…” Hij wachtte een ogenblik, tot het helemaal stil was. “Ik houd ervan duidelijk te zijn. De regels die gelden, zijn simpel. Het grootste rund snapt ze. Ik geef voor elke les huiswerk op en overhoor aan het begin van de volgende les. Wie de stof niet kent, schrijft de tekst drie keer over en levert zijn schrijfwerk de volgende les in. Na het eerste proefwerk dit trimester volgen vier lessen practicum waarin jullie met microscopen werken. Als blijkt dat jullie niet in staat zijn met de microscoop om te gaan, vervalt het practicum. In plaats daarvan behandel ik dan extra leerstof. Er wordt niet in boeken geschreven, spieken bij een proefwerk levert een nul op. Vragen?”
Henri had nog nooit een pater met zoveel baard gezien.
Er waren geen vragen.
Met duim en wijsvinger een riviertje van grijze haren volgend dat aan zijn vlezige onderlip ontsprong, draaide pater Jacintus zijn lage, massieve lichaam naar links en keek een jongen aan die vooraan in de klas zat. “Jij daar. Vertel eens, wat is je lievelingsdier?”
“Lie.. Een paard.”
“Het paard… Waarom dan wel?”
“Een… het lijkt het meest op een mens, een mens, want het heeft, het is het enige dier dat benen en een hoofd heeft. Het… Net als mensen.”
De pater greep peinzend in zijn baard. “Is iedereen het ermee eens?”
Iedereen was het ermee eens.
Henri wilde wel zijn vinger opsteken om er iets over te zeggen. Maar hij durfde niet.
“In de Grammatica,” zei de pater, “zullen we leren dat er dieren zijn die dichter bij de mens staan dan paarden. Nu hoeven we dat nog niet te weten. Jij, meneer Tegelaars. We kennen elkaar van vorig jaar, is het niet… Hopelijk doen we het dit jaar beter? Wat is jouw lievelingsdier?”
De jongen twijfelde tussen een olifant en een kameel. De olifant omdat hij een goed geheugen had, de kameel omdat hij dertig dagen zonder te drinken door de woestijn kon lopen.
“Het valt me mee dat je de zevenslaper niet noemt.”
“De wat, pater?”
“De zevenslaper of relmuis. Die slaapt zeven maanden per jaar. Moet jou immens sympathiek voorkomen, toch?”
Pater Jacintus vroeg nog een paar jongens hun lievelingsdier te noemen. Daarna ging zijn onderzoekende blik verder de klas in. Henri sloeg zijn ogen neer en tuurde naar een losgeraakte draad aan de mouw van zijn wollen trui. Die zat al enige tijd in de weg, maar als hij hem tussen zijn tanden nam en probeerde af te bijten… “En jij?”

De baardige leraar stond vlakbij en keek naar hem door de onderste helft van zijn bril. Henri schuurde met zijn kin langs zijn bovenarm. “De oorworm,” zei hij zacht.
Een ogenblik was het doodstil. Toen barstte de klas in geschater los. “De oorworm,” herhaalden een paar jongens honend. “De vlooi.” “De bromvlieg.” “Het donderbeestje.” “De steekmug.” Allerlei namen van insecten vlogen door de klas.
De pater wachtte tot het weer stil was. Toen richtte hij zich opnieuw tot Henri. “Waarom?”
Geschrokken door het onverwachte rumoer dat hij had veroorzaakt, dempte Henri zijn stem bijna tot gefluister. “Gewoon,” zei hij. “Maar ik houd alleen van de forticula auricularia.”
Een lichte verbijstering maakte zich van de klas meester.
“De forticula auricularia? Waarom niet van de labia minor of de andere dermaptera?”
Henri haalde zijn schouders op. “Gewoon,” zei hij weer. Na een korte aarzeling vervolgde hij: “Van de labia minor en andere soorten is nog maar weinig bekend. De auricularia verdedigt zijn jongen tegen grote insecten, ook als hij het niet winnen kan, en slaapt in bloemkoolbladen en dahlia’s.”
“Zo? Wat weet je nog meer?” De hand van de pater speelde met een kraal van zijn rozenkrans. Het bleke koord met knopen waaraan de rozenkrans hing, liep in een boog onder zijn ronde buik door.
Henri probeerde zich andere bijzonderheden te herinneren. Maar de aandacht die op hem gericht was, verwarde hem. Daar kwam bij dat de leraar de Latijnse namen anders uitsprak dan Henri zich aangeleerd had, uit de boeken in de kleine zondagsbibliotheek van Avendonk. Misschien was het allemaal wel fout. Op hetzelfde moment dat hij daaraan dacht, gleed alles wat hij wist uit zijn geheugen weg, als graan door de trechter van een silo. Paniek sloeg toe en hitte steeg naar zijn gezicht. Hij schaamde zich omdat de pater er nu achter kwam dat hij toch niks wist.
“Ik zal je helpen.” De leraar draaide zich om waarbij zijn baard achter hem aan leek te waaien, en liep terug naar voren. Met moeite vond zijn buik een weg tussen de dicht tegen elkaar geplaatste tafeltjes met leerlingen.
Misschien had hij beter een ander dier gekozen. De valk, het jachtluipaard of… de kauw. Thuis in Avendonk had hij een torenkraai waar hij veel van hield. Omdat hij naar het seminarie was gegaan, zorgde zijn broertje Laurens voor de vogel. Later, als hij in een klooster woonde of als missionaris in Afrika werkte of zo, wilde hij een valk of arend. Die zou hij africhten voor de jacht.
“Ik zal vertellen wat ik weet,” zei pater Jacintus toen hij weer voor de klas stond, “en jij,” hij keek naar Henri en wachtte even, “jij vertelt me wat ik vergeten ben.”
De pater wist veel van oorwormen. Dat ze van bloembladeren, aas en levende insecten leefden. Dat ze niet van licht hielden, ’s nachts wakker waren en waaiervormige vleugels hadden die ze zo klein opvouwden onder hun dekvleugels dat ze veertig lagen dik waren. Ze vervelden een aantal keer als ze jong waren, leefden overdag verborgen onder bladeren, paarden vlak voor het winter werd en legden hun eieren in holletjes. Om ze vochtig te houden belikte het wijfje de eitjes. Henri kon nog vertellen dat oorwormen net als mensen van gezelligheid hielden, bij elkaar sliepen, en dat de moeders door de jongen als die groot genoeg waren, werden opgegeten. En ze kropen helemaal niet bij mensen in hun oren, zoals gedacht werd.

[FRAGMENT uit HET EINDE VAN DE EEUWIGHEID, Boek 1, HEIMWEE]

Dit bericht is geplaatst in Proza. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.