Uit: ‘De Klimmer’

Er hing een zich oplossende mist. In de schaduw van struiken op de berm schitterden kleine ijskristallen. Ze waren een uur onderweg en voordat ze aan de klim begonnen, moesten ze nog vijfentwintig kilometer rijden. De eerste kilometers was de stemming niet best geweest. Sommige renners waren er zeker van dat de ronde vanwege de staatscoup definitief zou worden afgelast. Maar toen de zon doorkwam en de stijfheid uit hun spieren verdween, kregen ze zin snelheid te maken. Er werden enkele korte demarrages geplaatst, plaagstootjes die tot gevolg hadden dat het kleine peloton vaart kreeg.
Er was weinig verkeer. De weg die al meer dan tien kilometer recht door het landschap sneed, maakte een bocht en liep omhoog naar een spoorwegviadukt. Toen de renners boven aankwamen, opende zich een vlakte van weiden, akkers en braakland, bestrooid met een geel diffuus licht. Een riviertje dat was afgeboord met dennen, slingerde er zich doorheen. In de mistige verte lag op de top van een heuvel een ommuurde vestingstad. Dat moest Hostalric zijn.
Alex Ligthart kwam naast Henri Pafort rijden, legde een hand op diens schouder en liet zich door hem voorttrekken. ‘Je had het moeten zien,’ zei hij. ‘Net een wildwestfilm.’
Drie jaar geleden, in ’78, was er ook een staatsgreep gepleegd. Antonio Tejero, een luitenant-kolonel van de Guardia Civil, was een van de daders. Hij kreeg zes maanden, maar werd niet ontslagen, zelfs niet gedegradeerd. Twee dagen geleden pleegde dezelfde Tejero een overval op het Parlement. Sommige kranten schreven dat hij een stroman van de legertop was. Om de paar jaar moest hij de politieke situatie testen door een poging tot een staatsgreep te ondernemen. De generaals zouden de coup doorzetten als bleek dat er een goede kans van slagen was. Mislukte de poging, dan zouden ze Tejero de hand boven het hoofd houden.
Henri had het niet gezien. Lex wel, en Walter. Op de teevee in de hotellounge. En Alex raakte er niet over uitgepraat. ‘Komt er zo’n kievit door een zijdeur de Cortez binnen en begint met zijn automatisch pistool te zwaaien. Een kerel van de oppositie, een communist, springt overeind en roept tegen die gozer dat hij moet maken dat hij wegkomt. Dat hij in het Parlement niks te zoeken heeft. Meteen retteketet. Een paar guardia’s schieten hun machinepistool leeg. Plat! Er was niet één parlementslid meer te zien. Ze lagen allemaal plat op de grond achter hun banken.’
Dat gebeurde twee dagen geleden. In het Spaanse Parlement. Er was toevallig een cameraploeg in het gebouw, de overval werd rechtstreeks uitgezonden. Henri miste de coup. Hij zat op zijn kamer opnieuw een brief aan zijn vrouw Zilia in Nederland te schrijven. Dat hij moe was. Dat hij het opgaf. Op het moment dat hij in bed kroop, trok de Guardia Civil een cordon om het parlementsgebouw en gijzelde de driehonderd afgevaardigden.
De staatsgreep scheen mislukt te zijn. In het hele land was de Guardia Civil in de kazernes teruggetrokken. ‘Gerecupereerd’ volgens Brassé, tweede man binnen de wedstrijdorganisatie. Hij bedoelde ‘geïnterneerd’. Vanaf zijn barkruk die helemaal onder zijn kolossale broek verdween, zodat iedereen zich afvroeg of hij zweefde, deed Brassé een boekje open over de Spaanse Burgeroorlog. De vrouwen konden niet op straat komen of ze werden ‘geamputeerd’. Hij bedoelde ‘gemolesteerd’. Er was een avondklok ingesteld en ’s morgens lagen de lijken langs de kant van de weg voor het oprapen. Wielrenners moesten onder het rennen oppassen dat ze er niet overheen reden.
Omdat de Guardia Civil geïnterneerd was, beschikte de organisatie niet over motoragenten en kon er voor de tweede opeenvolgende dag geen etappe verreden worden. Een aantal renners had daarom bij het ontbijt afgesproken naar het dorpje Santa Fé in de Sierra de Montseny te klimmen. Het lag op 1260 meter.
‘Luister,’ zei Alex, ‘gaan we vanavond naar dat café, hoe heet het ook alweer, iets met San?’
‘San Jordi.’

‘Ja. Dat. Ik weet niet wat ik heb, maar sinds de laatste keer dat wij daar waren, die ogen, dat zwarte haar.’
San Jordi was een sjiek café in Lloret. Met een prachtige Spaanse achter de bar. Alex noemde haar Pilar, ook al heette ze zo niet. Haar naam was Luisa.
‘Als dat zo is.’
‘Maar ik ga niet alleen. Jij moet mee.’
Alex stortte zich graag in het avontuur, behalve als het met de liefde te maken had. Dan werd hij gegrepen door huiver. Niet was duidelijk waarom. Hij sprak er wel over, koketteerde ermee, maar hij was en bleef als een hond zo trouw aan zijn enige liefde, zijn vriendin. Hij dacht erover, had hij laten doorschemeren, met haar te trouwen.
Hij zou met haar trouwen. Alex’ leven veranderde. Vier jaar geleden was hij na lang aarzelen afgestudeerd als jurist en zette met een medestudent een advocatencollectief op. Hij werkte aanvankelijk niet meer dan drie dagen in de week, wilde tijd vrijhouden voor uitgaan, wielrennen, reizen, lezen. Maar de rechtszaken die hij behandelde, werden talrijker en namen meer tijd in beslag. Zijn taalgebruik, van nature doorspekt met robuuste beeldspraak en overdrijvingen, werd beschaafder. Regelmaat en orde legden zijn leven langzaam aan banden. Als hij trouwde, zou het avontuur dat hij jarenlang met Walter, Henri en anderen had gezocht en beleefd, voorbij zijn. Dat was het nu al. Voorbij. Of toch bijna.
Henri ging rechtop op de pedalen staan. Een ongemakkelijk gevoel besloop hem. Hij wilde zich niet storen aan Alex’ halfslachtigheid, maar hij wees die wel af, zeker nu hij zelf op het punt stond een besluit te nemen dat zijn leven radicaal op losse schroeven zetten zou. Hij moest de knoop doorhakken en ophouden met af te wegen wat goed was of slecht. Ophouden met zich af te vragen of hij glazen ingooide, schepen verbrandde, zich laf uit de voeten maakte, later de gang naar Canossa zou maken. Ophouden met zelf bezwaren aan te dragen en zichzelf te beschuldigen. Handelen moest hij, en ophouden met denken. Er was genoeg pijn geleden. Als hij aan Zilia en zijn vertrek uit Nederland terugdacht, omklemden zijn vingers het stuur zo vast, merkte hij, dat zijn handen er pijn van deden. Het was spijt. De wens dat dingen niet gebeurd waren en weten dat ze opnieuw gebeuren zouden als hij terug kon gaan in de tijd.
Het koesteren van voornemens als tijdsverdrijf, zonder de wens ze uit te voeren, wekte vandaag ergernis bij hem op.
‘Ik zal zien. Of ik meega.’
‘Goed, maar als we gaan, hoe pak je het dan aan? Wanneer stel je voor om, je weet wel? Moet je geld in je portemonnee doen en vragen of ze een groot biljet kan wisselen, dat ze al dat geld ziet. Hoe zou jij het doen?’
‘Wat?’
Het was geen goede en geen slechte beslissing geweest met Walter en Alex naar Spanje af te reizen. Voor het eerst in lange tijd braken er momenten aan dat hij zich niet beklemd, niet opgejaagd voelde. Eindelijk hoefde hij geen afkeer te overwinnen, niemand te ontzien, geen afstand te bewaren. Hij hoefde niet als thuis, wanneer hij in de schuur @en kooien zijn valken verzorgd had, langs een gevel omhoog te kijken om te zien of het licht op de slaapkamer nog brandde. Als het donker was, leek er een dreiging opgeheven. Eindelijk kon hij naar binnen en rustig gaan zitten. Om zich een glas whisky in te schenken en op de bank één, twee uren voor zich uit te staren, zonder iets te ondernemen. Om langzaam tot zichzelf te komen. Soms haalde hij een van zijn valken binnen. Zodat er tenminste iemand bij hem was.
Hij reed weg van Alex. Schoof langzaam langs de groep naar voren en nestelde zich aan de kop. Zijn hart klopte kalm. Hij reed door de koude van de ochtend, door de leegte van het landschap. Dit was goed. Hiermee moest hij tevreden zijn.

[FRAGMENT uit DE KLIMMER, verschenen in 2002, bij uitgeverij Aspekt te Soest]

Dit bericht is geplaatst in Proza. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.