Tymen Trolsky Revisited

CEES VAN RAAK

Op 14 juni 1971 zette Tymen Trolsky zijn eerste schreden in de literaire wereld. Die dag gingen twee verhalen op de bus, geadresseerd aan twee Vlaamse tijdschriften. Beiden werden gepubliceerd, de geboorte van een opzienbarende mystificatie was een feit. Eerst nam Nieuwe Stemmen, Orgaan van de Katholieke Jongeren-Gemeenschap, in het oktobernummer van dat jaar De Verloving op, twee maanden later volgde Het Nieuw Vlaams Tijdschrift, onder redaktie van Ivo Michiels, met Vier schuchtere schreden op weg naar een verhaal. Waarom Vlaamse tijdschriften? Trolsky vermoedde dat hij daar als Nederlands auteur meer kans zou maken dan bij de periodieken boven de Moerdijk. Zijn werk werd er inderdaad geaccepteerd.

Trolsky-foto met muts1-Klein.jpgWeinig is bekend over de achtergronden van de auteur en zijn schuilnaam, noch is ooit de ontstane anekdotiek beschreven. Terwijl het hier toch gaat om een van de meest geruchtmakende literaire affaires uit de jaren zeventig. De bedoeling van het pseudoniem was om met rust gelaten te worden. Trolsky wilde niet “van het echte leven vervreemden“, daar was hij bang voor als hij zich als schrijver van vlees en bloed zou moeten manifesteren. Een schrijver die verplicht zou zijn deel te nemen aan het “literaire society-leven, waarin het verzwelgen van de grootste hoeveelheid sterke drank en het uitslaan van de grootste onzin beschouwd worden als het meest perfekte staaltje van artisticiteit“. Hij hoopte door het gebruik van een schuilnaam zich de last te besparen van journalisten, organisatoren van literaire manifestaties, verzoeken om in jury’s plaats te nemen, enzovoorts. Hij wenste zich geheel aan het schrijven te wijden.
Daarom deze allitererende, Russisch-klinkende naam waarin een verwijzing doorklonk naar de in opdracht van Stalin vermoorde Trotski en die tevens de trol in zich droeg, de boze geest uit de Noorse mythologie. Duidingen te over, in weerwil van menigeen die dé sleutel gevonden dacht te hebben, zoals met een verondersteld anagram van de namen Ros, Komrij, Sontrop.

“Zeer geachte Heer Trolsky. Al meermalen heb ik teksten van u gelezen die u had ingezonden voor Het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Met interesse. Ik vind namelijk wat u schrijft erg goed.”

Aldus de aanhef van de eerste brief die Hugo Raes aan Tymen Trolsky schreef (4 september 1972). Hij reageerde hiermee met name op het verhaal Aliesje, gepubliceerd in het juli-augustus nummer van dat jaar. Dit verhaal zou de titel geven aan de bundel die in 1975 het licht zag.

In zijn antwoord ging Trolsky in op zijn schrijverschap: door te stellen dat hij geen schrijver was. “(-) Probeert u daar alsjeblieft van overtuigd te zijn. Dat ‘r toch af en toe iets van mij op papier verschijnt, is zuiver toeval, ’t is steeds ’n toegift aan ’n toch al zo vreselijk grote, onverdragelijke schuld. Schrijven is ’n straf, men heeft iets goed te maken, men probeert boete te doen, nog iets te veranderen. (-) Schrijven is ’n marteling. En dan wilt u mij nog wel levenslang tot die marteling veroordelen door mij ’n schrijver te noemen. (-) Gelukkig bent u geen schrijver (als ik goed ben ingelicht), maar leraar aan de middelbare school.” (Brief 8 september 1972).

Hoewel hij niet tot de lectoren van De Bezige Bij behoorde, wilde Raes zich toch inzetten om daar Trolsky’s werk onder de aandacht te brengen. En Trolsky zelf wilde ook graag uitgegeven worden, getuige zijn zending van een groot aantal gedichten onder de titel Aliesjes Bundel. Ook dit werk beviel Raes. Er waren foto’s bijgevoegd die voor hem nog meer “het raadsel van de Aliesje-obsessie” vergrootten, “waarover ik al de meest bedrukkende gevoelens begon te krijgen na lezing van uw poëzie“. Maar desondanks was het hem in eerste instantie om het proza te doen: “want uiteraard is een uitgeverij veel meer geïnteresseerd in proza: het is iets eenvoudiger om de onkosten te recupereren van een boek proza, dan van poëzie. (-) Trouwens uw proza vind ik erg goed, en mogelijk nog fascinerender. (-)” (Brief 20 september 1972). Dit proza behelsde ondermeer de eerste verhalen van Aliesje (1975).

Op zich had hij geen bezwaar tegen Raes’ voorkeur voor het proza, integendeel, Tymen Trolsky zou aanstonds beginnen met het samenstellen van een bundel, die de titel Aliesjes Proza kreeg.

Hiervoor lagen gereed enkele grote verhalen (voorgepubliceerd in o.a. Het Nieuw Vlaams Tijdschrift), schetsen, tientallen dagboekaantekeningen, maar ook foto’s en tekeningen door Aliesje zelf gemaakt. Of dit allemaal voor een uitgave in aanmerking kon komen, vroeg hij zich wel af. Deze verzameling Aliesjes Proza zag Trolsky het liefst verschijnen na de gedichten van Aliesjes Bundel. Beide boeken zeker bij dezelfde uitgeverij, De Bezige Bij, “omdat noodzakelijkerwijs ’t verband tussen de poezie en ’t proza gehandhaafd moet blijven, zo mogelijk zelfs benadrukt” door de twee werken in een uniforme uitgave te laten verschijnen.

aliesje_big.jpg Maar wie was toch die Aliesje? Een klein, Indisch meisje van nog geen tien jaar. Zijn muze. “Aliesje was ’t die mij de gedichten dicteerde, die mij de beelden gaf, die mij onafgebroken inspireerde, die mij als pen hanteerde: zij is in wezen de enige en ware schrijfster van mijn gedichten.” (Brief aan Martin Ros 14 maart 1974). “Ik weet wel dat sommige mensen er vreemd tegenaan kijken, tegen mijn verhouding met Aliesje en er iets kwaadaardigs achter zoeken. Maar ik vind het tijdverspilling om me daar iets van aan te trekken. (-) Aliesje was een van mijn beweegredenen om te gaan schrijven. Door haar gestalte en optreden raakte ik vaak zo enorm ontroerd, dat ik me gedwongen voelde de ervaringen met haar vast te leggen, te bewaren.” (Interview met Lien Heyting, NRC 4 juni 1976). Zijn vriend Jace van de Ven sprak van een niet te doorgronden gehechtheid aan dit tengere schepseltje.

Tymen Trolsky werkte hard, heel hard. Zijn geld verdiende hij met werken via uitzendbureau’s, veelal nachtwerk. Na vele gedichten en verhalen, ondermeer die rond Aliesje, begon hij tijdens een vakantie in Arnhem aan het eerste hoofdstuk van de roman Het Oponthoud. Daarna, terug in de fabriek, kwam de rest van het boek grotendeels in zijn hoofd tot stand. Later, in december 1972, schreef hij als in een roes alles op. Niet zelden werkte hij dertig uur aan een stuk door.

In november van dat jaar had Hugo Raes aan zijn vriend Remco Campert, die bij hem in Hoboken op bezoek was, het pak gedichten met de titel Aliesjes Bundel meegegeven voor De Bezige Bij.

Tymen Trolsky wendde zich in maart 1973 rechtstreeks tot de directeur van de uitgeverij, Geert Lubberhuizen. Hij had nog geen nieuws ontvangen over de receptie van zijn poëzie. De Bezige Bij bleek geïnteresseerd, Lubberhuizen zag uit naar een ontmoeting met de raadselachtige schrijver. Tymen Trolsky wilde echter per se onbekend blijven, ook tegenover zijn toekomstige uitgever. Zijn broer Terjew, zo schreef hij de Amsterdamse uitgever, had zich bereid verklaard om in zijn plaats te gaan. Geert Lubberhuizen schreef op 14 maart 1973: “(-) Maar goed, als er zoveel bezwaren zijn tegen een ontmoeting, dan wil ik uw broer Terjew natuurlijk ook best ontmoeten. Misschien zoudt u samen kunnen komen. In ieder geval dan graag op 30 maart om 2 uur ’s middags. Later op die dag vieren wij het verschijnen van de nieuwe roman van Hugo Raes en u zou uw literaire vader dan ook kunnen ontmoeten.(-)” En zo sprak Geert Lubberhuizen op 30 maart 1973 met Terjew Trolsky in Bodega Keyzer naast het Concertgebouw te Amsterdam over de uitgave van het werk van Tymen Trolsky, zich onderwijl het hoofd brekend over wie nu eigenlijk tegenover hem zat.

De Bezige Bij had inmiddels een lijstje gekregen van zijn manuscripten: 1. Liederen van Weemoed, Wanhoop en Waanzin (ondertitel: Aliesjes poëziebundel I), 2. Liefdes-, klaag- en politieke Liederen (ondertitel: Aliesjes poëziebundel II), 3. Vijf Herfst- en Lenteliederen (ondertitel: Aliesjes prozabundel I), 4. Het Oponthoud, roman, en 5. De Grijsaard, 25 korte verhalen. Zo werden de gedichten nu verdeeld over twee bundels, die later toch in één band zouden verschijnen. Tegelijk werd de roman op de markt gebracht, waarvan de titel ook veranderd zou worden en wel in Hyancintha en Pasceline, de namen van de twee Indische meisjes die in het boek figureerden en die ook in werkelijkheid zo heetten.

Er stond veel te gebeuren en … Tymen Trolsky ging op reis. Hij vroeg Lubberhuizen om een voorschot op zijn uit te geven werk, kreeg de gewenste duizend gulden en vertrok op 13 juni 1973 richting India.

Met tranen in de ogen zat ik in Pakistan op m’n kale hotelbed en keek piekerend naar een van de vele sprinkhanen die over ’t laken rondkropen, vlogen of sprongen, keek naar de blinde muur voor ’t raam, naar de magere hagedis op de muur, pakte m’n rugzak in en keerde, ’n licht snikken onderdrukkend, per bus en trein in 10 dagen van Pakistan naar m’n eigen idiote, door mij hartstochtelijk beminde landje terug. En nu ben ik ‘r weer.” (Brief 22 juli 1973 aan Geert Lubberhuizen). Deze reis vormde de inspiratie tot het schrijven van de Indiase Liederen, die hij in maart 1974 voltooide om onmiddellijk daarna te beginnen aan een nieuwe bundel die eerst Zwarte Bloemen heette, later Zwarte Liederen.

Onder redactie van Remco Campert verscheen in januari 1974 het eerste nummer van Gedicht. Hierin het Nederlandse debuut van Tymen Trolsky, een reeks sonnetten onder de titel De Schaakmatch. De komende achttien maanden zou het Trolsky zijn wat de literaire klok sloeg. Martin Ros heeft daar zijn steentje aan bijgedragen.

“(-) Van de mij zeer bevriende Oscar Timmers vernam ik over uw vele interessante plannen en ik las natuurlijk al van de titels die op stapel staan. Wat ik erg graag zou willen doen: eens een inleidend stuk over uw figuur en werk maken in een van mijn rubrieken (NRC of AD). Ik zou dat willen doen aan de hand van een “interview” dat we schriftelijk -want dan wordt het meeste gezegd!- zouden kunnen hebben. Ik hoop dat u ja zegt en dat ik een brief met vragen mag sturen. Van uw werkelijke identiteit behoeft u uiteraard in geen enkel opzicht iets prijs te geven.(-)” (Eerste brief Martin Ros aan Tymen Trolsky, 18 februari 1974).

En zo verscheen het eerste aan het fenomeen Tymen Trolsky gewijde Literair Logboek (NRC 20 maart 1974), met de klinkende introductie: Een poète maudit is onder ons opgestaan!. Martin Ros -ondanks de opgebloeide, vaak persoonlijke correspondentie, wist ook hij lange tijd niet wie zich achter het pseudoniem verschool- deed zijn duit in het zakje van de mystificatie. Hij had er duidelijk plezier in en zag er ook voordeel in:

“(-) Ik zou zeggen: het is in allerlei opzichten ijzersterk voor je je identiteit grondig te blijven versluieren. Het raadsel rond deze mystificatie zal nog hoger lees- en koophonger naar je werk ontketenen en zo is het goed.(-)” (Brief 4 december 1974).

Het was ook Martin Ros die Trolsky stimuleerde eigen artikelen voor het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad te schrijven. Dit resulteerde in een vijftal bijdragen die gedurende 1975 geplaatst werden. Op een gegeven moment vroeg Ros of hij zelf het pseudoniem mocht gebruiken, zodat hij letterlijk het een en ander aan de mythe bij kon dragen. Hier ging de echte Trolsky echter niet op in.

“(-) Je twee boeken verschijnen eind van deze maand. Je weet dat Liederen van weemoed alleen maar vertraagd is doordat we de bundel verdubbeld hebben. Hyacintha is voorspoedig gegaan (normale produktietijd van een boek is zes maanden). Vorige week hebben we de vijfde en laatste aanbieding van dit jaar samengesteld, en daar staat van jou op: Indiase liederen. Aliesje kan geplaatst worden op de eerste aanbieding van 1975. Rest dan nog je Zwarte Liederen. Een mogelijke oplossing zou zijn om van je Indiase liederen en Zwarte liederen weer één bundel te maken (???). Als we Zwarte liederen apart op de tweede aanbieding 75 zetten, verschijnt het volgend jaar zomer. Dat klinkt allemaal verweg, maar begrijp dat het zéér uitzonderlijk is om van één schrijver in twaalf maanden tijd 5 boeken te publiceren. Voor welke andere schrijver denk je dat wij dat zouden doen? (-)”
(Brief Oscar Timmers, redacteur De Bezige Bij, 19 juni 1974).

Zo verscheen medio 1974 de roman Hyacintha en Pasceline tegelijk met twee dichtbundels in één: Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin.
De roman, beginnend met `Opgedragen aan mijn ouders’, verhaalt van een student in de rechten, de ik-figuur T., die bij aankomst in een dorp het vijftienjarige Indische meisje Pasceline ontmoet. Zij worden elkaars geliefde en de roman is de beschrijving van hun relatie. (Trolsky’s voorliefde voor jonge Indische meisjes treft de lezer opvallend vaak in zijn werk aan). Pasceline woont nog thuis en T. trekt in bij de familie die, naast de ouders, bestaat uit de oudere zussen Hyachintha en G., en het jongere broertje Leslie. T. wordt de indringer, de gehate vreemde, niet in de laatste plaats omdat hij als een besluiteloos persoon opgevoerd wordt, op het neurotische af, iemand die niet weet wat hij met zijn leven aanmoet. Een speelbal van de mensen om hem heen, van de omgeving. Hyachintha, de oudere zus, komt hem te hulp. Zij weerhoudt de vader om de vreemdeling het huis uit te gooien. En zij wordt de tweede geliefde. Hartstocht en wanhoop buitelen over elkaar, om het geheel maar eens clichématig samen te vatten, en de lezer realiseert zich al snel dat dit nooit goed kan aflopen. De willoze student is gedoemd. Het boek eindigt dan ook met zijn aanstaande dood; de familie vergiftigt hem.
Een zwartromantisch gegeven, haast negentiende-eeuws, zoals ook

het wonderlijke, voor sommigen irritante taalgebruik, lyrisch, vol adjectieven en bewuste clichés, zozeer zelfs dat de overdrevenheid wel naar een vette ironische knipoog moet wijzen. (Voor Wam de Moor in De Tijd van 6 september 1974 aanleiding om de roman als een groteske te typeren). Dit wordt versterkt door de lange zinnen en de schrijfwijze van woorden als haar, een, het; die staan als d’r, ‘n, en ’t afgedrukt. Of de schrijver een spreektaal nastreeft, maar het levert als typisch effect juist een gekunsteldheid op, op het maniëristische af. Een parallel met het werk van diverse Tachtigers dringt zich sterk op.

De zoals vermeld op hetzelfde moment verschenen gedichtenbundel draagt als volledige titel: Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin, gevolgd door Liefdes-, klaag- en politieke liederen (ondertitel: “Aliesjes poëziebundel I en II“). Twee bundels in één, 206 pagina’s dik (haast een unicum in de Nederlandse letteren), waarin Trolsky zijn verlangens en zijn obsessies ditmaal in vele al dan niet in de sonnetvorm gegoten gedichten uitspreekt, soms zelfs uitspuwt. Opgenomen is zijn Nederlandse debuut, de reeks gedichten getiteld De Schaakmatch, Aliesje figureert, dromen dienen zich aan, gesprekken worden in vrije versvorm opgetekend, verhalen verteld. En passant komt ook de Nederlandse poëzie aan de orde, zijn bloedhekel aan dichters als Kouwenaar, zijn bewondering voor iemand als Habakuk II de Balker.
Later in datzelfde jaar 1974 volgde de bundel Indiase liederen, 49 pagina’s tellend, met vijftien gedichten verdeeld over drie afdelingen: Proloog, Inleidend lied van de dichter, en Dertien liederen. Trolsky heeft hierin meer grip op zijn stof gekregen, de vorm en de toon van de `liederen’ doen aan balladen denken. In deze ontdekkingsreis, zowel letterlijk (hij was op reis geweest; zie voorafgaand) als geestelijk op te pakken, passeren grote thema’s als honger, armoede, wreedheid, de dood. Zijn bekommernis om het onbeduidende en het tere wordt sterk verwoord. Armen, zigeuners, prostituées, zij krijgen zijn aandacht. Zijn liefde voor Aliesje blijkt hiervan de duidelijke bevestiging.

Exemplarisch voor de receptie waren de reacties op Hyancintha en Pasceline. Zo prezen Karel Poll (NRC), Ab Visser (Leeuwarder Courant) en Wam De Moor (in De Tijd noemde deze het de beste roman van 1974) het boek, terwijl iemand als Kees Fens (De Volkskrant) er geen spaan van heel liet (die sprak van wagonladingen vol woorden). Een genuanceerde mening leek niet mogelijk. Wat de poëzie betrof: een overrompelend dichter vond Anton Korteweg (Het Parool) hem, Rein Bloem (Vrij Nederland) daartegenover schreef dat Trolsky’s verzen stijf stonden van onmacht en ongein.

Bij dit alles verscheen ook nog het geruchtmakende artikel Ober, afrekenen in het oktobernummer van Maatstaf (1974). Deze “polemisch-programmatische tekst” die begint met de zin “Ik heb nooit een prozaïscher en poëzielozer volk gekend dan ’t Nederlandse“, neemt onder andere Gerrit Kouwenaar, Jules Deelder en Harry Mulisch op de korrel, waarbij de leer der fysionomie een niet geringe rol speelt. Op het werk van enkelingen na, zoals Habakuk II de Balker, Gerrit Komrij en Rutger Kopland, ziet Tymen Trolsky de Nederlandse poëzie-produkten als dode kanaries in verroeste kooitjes. De bundels van Hamelink, Bernlef, Schippers, Ten Berge worden net goed genoeg bevonden om er samen met Aliesje papieren mutsen van te vouwen. Een ongekend felle, giftige toon, die veel kwaad bloed zette en nog meer vraagtekens opriep.

Enkele maanden later, januari 1975, lag zijn bekendste werk, de verhalenbundel Aliesje reeds in de winkels. Zes onderling verbonden verhalen, zogeheten herfst- en lenteliederen, genummerd, met als ondertitels Aliesje, Shonuto I, Spanje, Thuis, Shonuto II en Op rak, ieder voorafgegaan door citaten uit het werk van Nederlandse en buitenlandse dichters. Twee epilogen sluiten het boek af, samen met een kwatrijn van J.H. Leopold (het zou Trolsky’s motto kunnen zijn):

‘Een druktemaker is, wiens naam bekend is,
een intrigant, wiens leven afgewend is.
Waarlijk, hij ware ’t wijste daaromtrent,
die niemand kent en die van geen gekend is.’

Net als Hyachintha en Pasceline heeft Aliesje de liefde als hoofdthema, ook hier betreft het een liefde tussen een student rechten en een Indisch meisje, nog jonger ditmaal, zeven jaar. Ook gaan beiden samenwonen, nu bij hem op kamers. Aliesje, dit nymfje, zijn muze, zijn mythe. De hoofdpersoon, Tymen heet hij nu voluit, oppert zelfs dat zij een kind is van de zigeunerin Shonuto, met wie hij in Finland de liefde heeft bedreven. Dit thema is in onze vaderlandse letteren schaars en dan betreft het nog de affectie voor jongentjes, zoals bij Jan Hanlo en Astère Michel Dhondt. Dezelfde schroomvallige, kuise, haast religieus-ingetogen liefde die deze schrijvers voor hun knaapjes voelen, koestert Trolsky voor het vroegrijpe Aliesje. Het tederheidsaspect overheerst duidelijk het seksuele. Dit laatste speelt wel in het tweede `lied’, met als plaats van handeling Lapland, waarin de zeer aardse liefde voor de zigeunerin Shonuto beschreven wordt: hartstochtelijk, bizar, sado-masochistisch. In het derde `lied’ neemt Tymen, weer verenigd met haar, Aliesje op vakantie naar Spanje.

aliesje.jpg Zoals eerder komt ook hier de wereld, de folklore van de zigeuners aan de orde. Aangrijpende jeugdherinneringen volgen, zoals het martelen van dieren; Trolsky’s doodsmystiek, zijn pessimisme, dat hierin geworteld lijkt. Terug in Nederland, in het vierde `lied’, volgt de confrontatie met de familie van Aliesje, door wie zij wordt opgesloten. Moeder, broers en zusters (de vader is gestorven) hebben opmerkelijk genoeg geen morele bezwaren tegen de verhouding, maar willen wel garanties dat hij haar trouw zal blijven en dat er te zijner tijd een huwelijk volgt. Tymen stemt toe en het paartje betrekt een verdieping, waar hij aan de door Aliesje geïnspireerde boeken werkt, die haar onsterfelijk moeten maken, en het meisje ontpopt zich als een grappig-bazig huisvrouwtje. In dit verhaal Thuis komen enkele tekeningen en gedichtjes van Aliesje voor. Het vijfde `lied’ heet Shonuto II, de titel geeft het al aan. Gegrepen door het verlangen Shonuto te willen weerzien (`de moeder’), vertrekt Tymen spoorslags naar Finland. Tevergeefs, hij wordt ernstig ziek en een prostituée verpleegt hem tot hij weer terug kan naar Nederland. Daar vindt Aliesje een briefje in zijn rugzak waaruit blijkt dat de prostituée Shonuto zelf was. Zo heeft hij haar toch nog ontmoet, zijn verlangen is gestild. In het laatste, zesde `lied’, Op rak, is Tymen weer samen met Aliesje. Hierin wordt zijn bemoeienis met radikale communisten, hij is zogenaamd saboteur, kolderiek verteld. Een regelrechte parodie (zoals in Hyachintha en Pasceline het studentenleven genadeloos op de korrel werd genomen). Ten slotte blijkt dat het pand dat zij bewonen afgebroken gaat worden en daarmee eindigt het boek abrupt. Onvoltooid, dat lijkt ook de bedoeling, want in de epiloog neemt Tymen afscheid van zijn kortstondige schrijverscarrière, de literatuur is hij grondig beu. Zijn pessimisme heeft gewonnen:

`(-) En nog helderder dan voordien doorzie ik dit ene feit: dat ’t leven vergeefs is en wreed, en dat ’t geen vergeefser daad kent dan ’t schrijven, dat immers de dood niet wil, ‘r tegen vecht, en zich toch onvermijdelijk onder dit juk moet buigen. Om die reden werd dit verhaal onderbroken en zal ’t onvoltooid blijven.‘ (-) (p. 260)

Zo’n produktie van zo’n totaal onbekende, dat maakte nieuwsgierig, dat irriteerde ook. Naarstig ging men op zoek naar de ware identiteit. Hoewel: waar op zoek? Men had alleen de naam, de boeken, een enkel artikel en een vage foto op de achterkant van Hyacintha en Pasceline. Verder geen mogelijke duiding.
De weinigen die vanaf het begin op de hoogte waren, verkeerden niet in het literaire wereldje van de grachtengordel. Toch kwam Propia Cures in het decembernummer van 1974 met de oplossing: Willem Frederik Hermans. Gezien de enorme produktie werden ook meerdere auteurs achter het pseudoniem vermoed. Zo dacht men aan de trojka Martin Ros-Gerrit Komrij-Theo Sontrop, gevoed door het idee dat het pseudoniem een anagram bevatte dat in die richting wees. Ook volgens de Belgische krant De Standaard bestond er geen Trolsky; er zat waarschijnlijk een groepje studenten achter. Gerrit Komrij zelf verdacht Hans Warren en Theo Sontrop wilde het per se weten van zijn collega Martin Ros. Die het inmiddels wist, maar niks verklapte, nee, hij wakkerde liever het vuurtje aan om nog meer van de commotie te kunnen genieten.

Robert Vacher schreef in De Stem, dagblad voor Breda, van april 1975 een recensie over Indiase Liederen en Aliesje. Zijn artikel begon met de zin:

Iedereen weet intussen dat Trolsky niet een andere naam is voor Gerrit Komrij, Habakuk 2 of Rutger Kopland en dat de schrijver als zijn kat Salvador langs de gevels van zijn woonplaats Tilburg sluipt.(-)”

Vacher, een van de ingewijden, schreef toentertijd nu en dan een recensie voor De Stem. Tegenover de kunstredacteur van die krant liet hij zich ontvallen dat Trolsky een collega van hem op school was. Dit kwam journalist Johan Diepstraten ter ore, tevens medewerker van het literaire blaadje De Klopgeest, een uitgave van C.J. Aarts. Hij rook een primeur en ging met de combinatie leraar Nederlands Breda-woonplaats Tilburg aan de slag. Hij belde alle middelbare scholen van Breda op met de vraag of er een leraar Nederlands werkte die in Tilburg woonde. Bij de scholengemeenschap Markenhage had hij prijs. De man heette Jos Mikkers. Het volgende telefoongesprek ontspon zich: “Ja, met Diepstraten. Het is ontdekt. U bent Trolsky.” “Hoe komt u nou aan die rare informatie?“Kom, kom, meneer Mikkers, ik ben geen achttien meer.” En Mikkers gaf toe. Hij sprak met Diepstraten af dat deze tegelijk met de onthulling een artikel zou plaatsen waarin hij het gebruik van zijn pseudoniem zou motiveren. Ook zou Diepstraten zijn stukje eerst opsturen naar Mikkers’ vriend Jace van de Ven. De dag daarop kreeg Johan Diepstraten een brief van Trolsky:

Van de ene kant betreur ik ‘t, zoals je misschien begrepen zult hebben, uitermate dat ik voortaan niet meer onder de bescherming van ’n waterdicht pseudoniem zal kunnen schrijven, van de andere kan ’t mij, zo moet ik eerlijk bekennen, ook niet meer schelen of m’n “ware” naam op korte termijn wereldkundig gemaakt zal worden of niet. Ik ben onbeschrijflijk moe, moe van ’n volk dat doodgravers boven dichters verkiest, dat aan de lippen hangt van critici die nooit hebben leren lezen en onderscheiden, die elkaars oordeel klakkeloos overnemen (-), moe van ’n volk dat enkel uit is op sensatie en poëtische papegaaikunstjes. Gelukgewenst.

Iets anders reageerde Jace van de Ven. Hij noemde Diepstraten een krullul en zou hem persoonlijk in elkaar komen slaan.

Toen gebeurde er iets vreemds. De onthulling werd, ondanks dat ook Vrij Nederland erop gesprongen was (31 mei 1975), niet serieus bevonden. Wat wel doordrong was dat het niet het driemanschap Ros-Komrij-Sontrop betrof, maar hoogstens een groepje studenten uit Brabant. Dat maakte de affaire een stuk minder interessant. Trolsky werd met andere woorden niet definitief ontmaskerd. Trouwens, zijn ware naam luidde ook niet Jos Mikkers. Zo konden nog de “publieke” optredens van Tymen Trolsky in Nederland en België volgen, die het rookgordijn weer aandikten.

Uitnodigingen voor optredens genoeg! Daarmee ook honoraria te verdienen, evenzo ook kansen om poetsen te bakken en velen op stang te jagen. Dat lukte aardig, temeer daar Tymen Trolsky’s tweelingbroer/vervanger/dubbelganger, Jace van de Ven, zijn rol met verve speelde.

Zo diende zich de door J. P. Guépin op 25 april 1975 georganiseerde sonnettenavond in de Lodewijkkerk te Leiden aan. Tijdens Trolsky’s voordracht, onder begeleiding van het permanente slaan van een meegebrachte, onklaar gemaakte pendule om het motto van die avond -“Sonnetten die klinken als een klok“- kracht bij te zetten, klonk er in de holle ruimte plots een schot. Jace van de Ven viel, katheder en microfoon meeslepend, dodelijk getroffen neer. Iedereen zat stijf in de kerkbank. Om even later te moeten aanschouwen dat de dode dichter grijnzend opkrabbelde. Bij het verlaten van de kerk kregen de bezoekers een pamflet in de handen gedrukt. De titel ervan luidde: “Smakeloze grap van enfant terrible” en het bekritiseerde de vertoning als een misselijke publiciteitsstunt (“Wat dichter? Wat kunstenaar? Een regelrechte snotneus, meer niet! Beter ware het dat deze Brabantse branieschopper voortaan in zijn eigen streek optrede voor een publiek van Barneveldse hoenderen en Drentse patrijshonden. (-) Laten we hopen dat de Maatschappij der Nederlandse Letteren Trolsky voor de laatste keer uitgenodigd heeft.“) Tymen Trolsky deelde het uit.

De eerste mei van dat jaar vierde men in Turnhout met de manifestatie Poëzie in het Circus. (Overigens bleek deze happening een opmaat voor soortgelijke manifestaties die later zowel in België als Nederland plaats zouden vinden; aardig idee om die geschiedenis eens op papier te zetten). Voordat Trolsky, Van de Ven en enkele kornuiten zich met de andere dichters in een processie, compleet met kamelen!, van het stadhuis naar de circustent begaven, legden ze een bezoekje af bij De Slegte. Daar schaften ze zich dichtbundels van de collega’s aan om vervolgens deze werken tijdens het Trolsky-optreden de zaal in te laten vliegen onder het uitroepen van kreten als: Te licht bevonden! Slechte Poëzie! Da’s ook al niks! Uiteraard werd dit niet in dank afgenomen, met name Patrick Conrad kreeg het te kwaad toen ook zijn bundel in het publiek terechtkwam. De laatste bundel van de stapel kon wel de goedkeuring wegdragen, die was namelijk geschreven door Tymen Trolsky. Eindelijk goede gedichten en er kon voorgelezen worden. Twee voorbeelden, twee streken van Trolsky’s rebellenclub.

Ik keek enorm op heden van Lien Heyting te horen dat je je op een Bezige Bij-bijeenkomst nu hebt ontpopt als Jasper Mikkers en als Tymen Trolsky en dat je zelfs in die hoedanigheid een interview hebt toegezegd. Moet ik hieruit concluderen dat je nu alle versluiering en mystificatie definitief beëindigt? (-)” (Brief Martin Ros 27 april 1976).

Inderdaad verscheen dat interview en wel in het Cultureel Supplement van de NRC, 4 juni 1976. Onder de dubbele kop Met schrijven tem ik mijn hartstocht/Tymen Trolsky onthult zijn ware naam en met begeleidende foto’s verhaalde Lien Heyting van haar ontmoeting met de ware Trolsky.

De reden van zijn naar buiten treden was dat de anonimiteit zich tegen hem zelf had gekeerd. Als hij nog langer onbekend bleef, zou dat schadelijk worden voor de erkenning van zijn werk:

“(-)Er worden mij door de critici ook allerlei kwaadaardige bedoelingen verweten: ik zou anoniem willen blijven om veel publiciteit te krijgen; ik zou mij zeer goed bewust zijn van het lage niveau van mijn werk en om die reden niet willen uitkomen voor mijn schrijverschap.(-) En er wordt ook klakkeloos aangenomen dat mijn werk niet het werk is van één auteur.(-)”

De in het begin van dit artikel vermelde aversie tegen het “schrijverswereldje” kwam ook ter tafel. Jonge schrijvers liepen geheide kans door hun oudere confraters bestookt te worden met cynisme en teleurstellingen. Met het bijkomend risiko dat ook zij het gebruikelijke zuipen als heldendaad gingen beschouwen. Een bittere toon. Namen werden genoemd:

“(-)Die kliek rond Kouwenaar, met Bernlef, Schippers, Ten Berge, Fens, Bloem. Als een van hen je eenmaal heeft aangevallen, dan krijg je ze allemaal op je nek. Dat gaat bijna bij wijze van afspraak.(-)”

In een reactie schreef Martin Ros dat hij het jammer zou vinden als Trolsky zich op rancune en humorloosheid zou laten betrappen. En: “(-) Ik krijg ook wel sterk de indruk dat je Amsterdam, het wereldje and all that een enorme meerwaarde toekent.(-)” (Brief 12 mei 1976). In ieder geval gold zeker dat Jasper Mikkers na vijf jaar het verstoppertje spelen zat was.

Overigens bleef hij Tymen Trolsky nog een aantal jaren als schrijversnaam gebruiken. Zo verscheen vlak na het bovenvermelde interview de reeds genoemde bundel Zwarte Liederen bij De Bezige Bij, en later bij kleine uitgeverijen de bundels Indonesische Gedichten (VAN, Amsterdam, 1978) en Kwatrijnen (Brandon Pers, Tilburg, 1979). In 1980 dan verscheen in het januarinummer van Maatstaf het laatste werk van Tymen Trolsky, een pittige kritiek op het werk van Gerrit Kouwenaar onder de titel Een cursus spelonkologie.

katje.jpg Jasper Mikkers gebruikte zijn eigen naam twee jaar daarna bij het verhaal Turo del Home in Het Nieuw Vlaams Tijdschrift (april 1982). In 1990 zagen zowel de roman De Weg van de Regen (De Bezige Bij), als de dichtbundel Wie is uiteindelijk (Querido) het licht. Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij de verhalenbundel De kleine jongen en de rivier. De meeste gedichten uit boven-genoemde bundel werden voorgepubliceerd in De Revisor en Raster. Onder een pseudoniem: Artur Raven. Het lange gedicht De Verdwijning zal september van dit jaar bij Querido uitkomen, net als de verhalenbundel onder eigen naam. (Zo is hij een van de weinige auteurs met twee uitgeverijen, een voor zijn proza en een voor zijn poëzie). Maar weer andere, nog ongebundelde, gedichten zijn onder een derde schuilnaam in diverse tijdschriften terechtgekomen. Hij kan het kennelijk niet laten. Maar dat is een ander verhaal.

Dit bericht is geplaatst in Artikelen. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.