I

Jij kroop langs de rozen omhoog.
Een lied stond zwetend zijn bril te poetsen,
zuigend op een schemerlamp
– een brandende fakkel, een insektenpoot
in vlam, lichtend in de treurige morgen
-.?Jij beplaste het gras en
omhelsde een kikker die zong
en peultjes kweekte in een verlaten fietsbel, ach…

Je haren verkruimelden in de wind.
Takkebossen leed stegen op
vanonder insekten strelende stenen.
Je hakkelde, wind sneed – ach, de wind!
Kon ik je maar kussen op je kleine harp,
sukkelend voort over hooi puntend, piano
-?stemmend mos, ach, de krekels, op waterige
krukken bolbozend in de diepte,
de diepte, ja, kroos, en daarna…

Een krekel die het hazepad koos,
een lied aan zijn achterpoot gebonden,
een kistje,?en daarín.

Uit de afdeling Elf aangewaaide liederen

Dit bericht is geplaatst in Poëzie. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.