Roman van Anton Dautzenberg – Vogels met zwarte poten kun je niet vreten

 

Bespreking van de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten

Er is op dit moment in de Nederlandse letteren geen auteur die met zijn werk en optredens zo ver gaat en zoveel commentaar uitlokt als Anton Dautzenberg. Om wat te noemen: hij organiseerde een chaotische avond vol absurditeiten in de Tilburgse jazztempel Paradox, bewerkte zichzelf bij een optreden in café Cul de Sac met een scheermes, kondigde zijn dood aan, de dood van zijn pseudoniem Troy Titane, op een vel papier dat hij in het holst van de nacht spijkerde op de deur van Heiksese kerk in Tilburg en dat liet filmen. Hij schreef de bundel columns Op verzoek van Ruud Vreeman, met tekeningen van Bandirah. Toemalig burgemeester Vreeman was niet ‘amused’. Later zei die: het boek kwam te vroeg. Ik was nog maar net burgemeester en wist niet hoe ik dat boek moest opvatten. Zijn verhaal Suikerfeest is door het Amsterdamse studentenblad Propia Cures verkozen tot ‘de meest vieze gastbijdrage ooit’ en hij braadde, om de aandacht te vestigen op zijn literaire debuut, een in het Tilburgse Stadspark geschoten ooievaar. Dit alles, en nog veel veel meer, staat op conto van een bijzondere auteur, op naam van Anton Dautzenberg.

En nu heeft hij een boek, een verhalenbundel, geschreven, getiteld Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Het is zijn debuut bij een landelijk opererende uitgever, uitgeverij Contact in Amsterdam, het uitgevershuis dat ook Frans Thomése, een voormalige Tilburger, in het fonds heeft.

In Vogels met zwarte poten kun je niet vreten zijn 30 korte verhalen samengebracht. De lezer van deze bundel kan al snel vaststellen dat aan de stijl niks valt af te dingen. Dautzenberg schrijft vlot en soepel, met krachtige, goed lopende zinnen. Ook aan de opbouw en vorm van de verhalen valt weinig te verbeteren.

Nee, het is de thematiek die opvalt, en de wijze waarop de thema’s uitgewerkt worden.

Wie de thematiek van een literair werk ziet als een afspiegeling van het denken van de auteur, zal concluderen: Anton Dautzenberg heeft niet veel op met de wereld zoals die is. De bundel zit vol metamorfosen, niemand wil zijn wie hij is. Bijna alle personages in de verhalen, onttrekken zich aan de bestaande werkelijkheid. Ze proberen aan zichzelf te ontsnappen of een al dan niet door henzelf gecreëerde, fatale situatie te ontkomen. En dat lukt zelden. In het verhaal Glückauf verandert een jonge student in een meisje en daarna in een hond die vervolgens wordt overreden. In Jurgen probeert een jongen, Guido, aan de strontlucht die om een vrijpartij hangt, te ontkomen door hen die over zijn lot waken, opdracht te geven de gang van zaken te wijzigen. Zijn bemoeienis met zijn lot valt uitermate slecht uit. In Jevgenia verstopt een meisje dat gekweld wordt door hoofdpijn, zichzelf achter het behang en wordt nooit meer teruggevonden. Alleen in Into the white vindt een vrouw baat bij haar gedaanteverwisseling. Ze leidt een vergadering in een kantoorgebouw en bevindt zich van het ene moment op het andere bij de eskimo’s. Een ander leven breekt daar aan, een leven dat ze als een vooruitgang ervaart.

Het is niet uitgesloten dat de lezer wanneer hij kennis maakt met de eerste verhalen, schrikt. Of dat hij zich zelfs geschokt afvraagt aan wat voor boek hij begonnen is. En wat hem nog te wachten staat.

De bundel begint met Brachycera, een verhaal waarin vliegen op een trapleuning worden gelijmd tot ze een zoemend tapijt vormen. Het vastlijmen van de vliegen wordt tot in detail beschreven. Wat is het doel van het verhaal? Wat moet hij, de lezer, erbij ervaren? Wreedheid als esthetisch genot?

In de verhalen Suikerfeest en Een oase van verdriet worden respectievelijk de thema’s pedofilie en incest bij de kop gepakt. In Suikerfeest heeft een volwassene een poging tot seks met een dertienjarig meisje en in Een oase van verdriet houdt een dochter zich in de woestijn in leven door haar vader af te zuigen en zijn sperma te drinken.

Dautzenberg schept in zijn boek een wereld waarin alles kan en niets meer normaal is. Waar andere wetten gelden en de normen en waarden die opgeld doen in onze samenleving, niet van toepassing zijn. Zijn boek doet in dat opzicht denken aan het werk van Markies De Sade. Maar ook met natuurkundige en biologische wetten wordt de vloer aangeveegd, niets staat vast, de logica van het normale leven is nergens te bekennen, absurditeiten geven onverwachte wendingen aan gebeurtenissen.

Als hij over de eerste schok heen is, wordt de lezer weldra op sleeptouw genomen door het merkbare plezier dat de auteur van dit boek heeft bij het zich laten afspelen van allerlei absurde voorvallen, zoals de veelvuldige gedaantenverwisselingen (waarbij hij bewust verwijst naar Kafka en zijn verhaal Die Verwandlung). Soms is zo’n verhaal tegelijk een kritisch én hilarisch commentaar bij bepaalde verschijnselen, zoals ontwikkelingshulp of de omgang van westerlingen met gekleurde rassen. Voorbeelden zijn Ende hier omme en Een kerstverhaal. In Ende hier omme heeft een vrouw als ze wakker wordt, een kraantje in haar rug waar een ongelimiteerde hoeveelheid water uit stroomt. Zij gaat op weg naar de woestijn om daar mensen van water te voorzien. In Een kerstverhaal krijgt een jongetje van een oom twee vechtende negers in een doos als cadeau.

Vogels met zwarte poten kun je niet vreten laat één belangrijk onderscheid zien met de eerder genoemde De Sade. Naast het taboedoorbrekende kan de lezer uit de thematiek van sommige verhalen ook engagement en kritiek halen. Een goed voorbeeld daarvan is het verhaal Eerst de rituelen, waarin een dertienjarig meisje wordt gestenigd. Westerse toeristen bezoeken de steniging, zoals toeristen in Spanje een arena bezoeken om een stierengevecht bij te wonen. (Ik vraag me wel af of dit verhaal niet veel harder aan zou komen bij de lezer als de steniging beschreven was vanuit de intenties van de beulen, de stenengooiers.)

En behalve door engagement munten sommige verhalen uit door een prachtige verbeelding van mededogen. Mededogen met mensen die naar de rand van de samenleving verdrongen zijn. In Bingo wordt op een aangrijpende manier de zinloze, absurde wereld van bejaarden geschetst die alleen nog bezig zijn hun dagen te vullen, en dan met dat absurde spel bingo, maar temidden van die absurditeit laat de auteur wel een liefde tussen twee bejaarden opbloeien.

Ook voor voor lichamelijke (on)volmaaktheden (de billen van de vader en moeder in Glückauf) en onappetijtelijke details van de liefde (in Jurgen) heeft Dautzenberg een levendig oog.

Sommige verhalen hebben een open eind, breken af op een fataal moment. Ze lijken veel op een beschrijving van een droom. In die verhalen lijkt het slachtoffer op de valreep gered te worden door de werkelijke werkelijkheid die minder wreed en dodelijk is als de werkelijkheid van de droom. (Jurgen)

In een interview zegt Dautzenberg: ‘Ik begin realistisch, maar merk na een tijdje hoe de schotten naar andere werkelijkheden verdwijnen. Dan zie ik letterlijk voor me hoe tijdens een vergadering iemands gezicht van de rest van zijn hoofd op tafel valt, waarna zijn collega’s ermee gaan boksen. Ik laat dit heel associatief gebeuren, al stuur ik mijn verhalen tegelijkertijd wel bewust een bepaalde weg in.’ (Univers, 7 oktober 2010)

Dautzenberg is de uitvinder van een nieuwe filosofie: het wilde denken. (Pagina 28 en verder in Vogels met zwarte poten kun je niet vreten.) Misschien kunnen we daarover meer lezen in de roman die de schrijver al voor voorjaar 2011 heeft aangekondigd.

Wat na lezing van de bundel vooral bijblijft, behalve het plezier van het lezen, is de wisselvalligheid van het lot waaraan mensen (verhaalpersonages) onderworpen zijn, de absurditeit van het bestaan soms, maar ook het mededogen dat de auteur indirect uitspreekt met mensen die buiten de boot vallen, slachtoffer zijn of een problematisch leven leiden. De schrijver van deze verhalen wil niet leven in een wereld waar wordt geoordeeld en veroordeeld en de categorieën goed en kwaad onwrikbaar vaststaan.

De literaire kwaliteit van de verhalen is zo hoog is dat het boek nergens moralistisch of amoreel wordt.

Louis Paul Boon wilde de mensen een geweten schoppen. Anton Dautzenberg wil de mensen door elkaar rammelen. Door ze te confronteren met uitzonderlijke of extreme situaties in verhalen wil hij ze aan het denken zetten. Maar vooral wil hij de lezer boeiende verhalen voorzetten.

Dit bericht is geplaatst in Blogs. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.