ALBERT SIEBELINK – INTERVIEW 6

IN GESPREK MET ALBERT SIEBELINK

‘Er mocht ook wel eens gelachen worden, vonden wij.’

Albert Siebelink is geboren te Bergen op Zoom, op 09-06-1950. Hij deed gymnasium alfa op Het Juvenaat, het toenmalig kleinseminarie van de Congregatie van de Priesters van het Heilig Hart.
Na de middelbare school studeerde hij een aantal jaren sociologie te Tilburg, tot het consilium abeundi afgegeven werd: het advies met de studie te stoppen.
Hij was een vijftal jaren actief als jongerenwerker in de Tilburgse wijk Het Wandelbos en begon daarna, eind 1981, met de Veulpoepers het collectief Kafee d’n Egelantier, in de Boomstraat in Tilburg. Zijn muzikale talenten vierde hij bot als lid van de Fanfare van de Eeuwigdurende Bijstand en van een hoop min of meer obscure groepjes.
Hij was medeoprichter in maart 1987 van !Wat krijgen we nou weer!, bemiddelingsburo voor binnen- en buitenlandse artiesten, dat zich later vooral specialiseerde in buitenlandse wereldmuziek. Verder steekt hij energie in de productie van volksopera’s en vreemde toneelstukjes.
Hij is de initiatiefnemer van een aantal festivals waarvan het jaarlijkse International Gipsyfestival te Tilburg het meest spraakmakende is.
Houdt van Noortje.

siebelink
Albert Siebelink

GESPREK

JEUGD EN MIDDELBARE SCHOOL
‘Als zesjarig jongetje zat ik op schoot bij mijn heeroom die als missionaris naar Chili zou vertrekken. Dat wil ik ook, schoot door me heen. Vanaf dat moment wilde ik ook pater worden.

Albert Siebelink is – zoals vele studenten uit Noord-Brabant – oud-seminarist. Hij bracht vijfeneneenhalf jaar door op het kleinseminarie van de Priesters van het Heilig Hart in Bergen op Zoom. Daarna werd hij extern.

‘De rector was niet dol op me. Ik droeg mijn haar tot over mijn oren. Dat werd afgekeurd.

Tijdens de laatste jaren middelbare-schooljaren deed ik sociaal-maatschappelijk werk, vrijwilligerswerk, bij de bewoners van een woonwagenkamp in Bergen op Zoom.’ Blijkbaar waren er tegen die tijd ook op dat seminarie andere opvattingen ontstaan en kregen de leerlingen meer vrijheid. Ze mochten zich buiten het terrein bewegen. Dat werk onder woonwagenbewoners werd geleid door catechisten, nonnen die niet de eeuwige gelofte hebben afgelegd.

painting
Opening van de tapijtententoonstelling april 1969
Boven hangt afbeelding van sextentoonstelling

KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBURG
‘Na de middelbare school koos ik voor de studie sociologie omdat ik die intuïtief verbond met sociaal werk. Ik wilde niet als sociaal werker worden opgeleid, ik wilde een titel halen.

In Tilburg meldde ik me bij ASKLOA, omdat deze vereniging een matig ontgroeningsritueel kende. Als student woonde ik eerst bij een tante in. In januari 1969 verhuisde ik naar Verbernelaan 34, hoogste verdieping. Daar woonde een aantal van de meest actieve studenten, ‘de theoretische afdeling’ of ‘hot afdeling’ genoemd. Op die verdieping werd het politieke beleid van de linkse studentenbeweging bepaald.

Op nummer 26, de begane grond, was een vrouwenunit. Die telde 6 in plaats van 18 kamers. Het was verboden voor vrouwelijk studenten om met mannelijke studenten op dezelfde verdieping te wonen. Dat verbod werd op de ‘Rooi Flat’ (Verbernelaan 34) al snel met voeten getreden.

De derde flat, 3e of 4e verdieping, was de ‘vrolijke afdeling’, ‘de blowafdeling’ met als belangrijke bewoner Tom Koster.

Binnen de studentenbeweging waren allerlei fracties actief: trotskisten, maoïsten, communisten. Ik las Bakoenin en liet me door deze denker inspireren. Als opvallende uitdossing droeg ik een jas van konijnenbont en een brommernummerbord op mijn borst. In die uitdossing bezocht ik vergaderingen in Amsterdam. De jas viel uit elkaar terwijl de vergaderingen bezig waren, zo rot was hij.’

BEZETTING VAN DE KATHOLIEKE HOGESCHOOL TILBURG
Het kost Albert moeite om zich de gebeurtenissen van vijfendertig jaar geleden scherp voor ogen te halen. Het begin van de bezetting van de universiteit staat hem nog wel helder bij.

‘Jantje Bergers en ik kregen opdracht een draaiboek voor de bezetting van de hogeschool te maken. Dat plan lag er lang voordat de hogeschool bezet en gesloten werd. Die sluiting was een reactie op onze acties, zoals het bezetten van de telefooncentrale en de portrettenzaal, ook wel senaatskamer genoemd.

We drongen de portrettenzaal binnen, daarna de telefooncentrale. We wisten van de vergadering en het beviel ons te zien dat de senaat machteloos was en de zaal verliet. De rollen waren omgekeerd.’

affiche4
Affiche

Na het opheffen van de bezetting, weet hij nog, sprak Ton Koster in een collegezaal een rede uit. Hij richtte zich daarin tegen de beëindiging van de bezetting. Hij was naakt, hield een hoge hoed voor zijn lid. Het was een verbijsterend goede rede.

MAAGDENHUISBEZETTING
Meteen na de bezetting was er elders werk aan de winkel.

Marcel Hermans, Frans Godfroy en Albert Siebelink werden door Michel Rüpplin in een witte kever waarvan de ruitenwissers niet werkten, naar Amsterdam naar het bezette Maagdenhuis gereden. Ze gingen om solidariteit te betuigen. ‘Omdat de ruitenwissers niet werkten, moest Michel zijn hoofd buiten het raam houden en zo de weg overzien.(1)

In Amsterdam gingen ze via een loopbrug van de bibliotheek van de universiteit naar het Maagdenhuis. Niet lang nadat ze binnen waren werd de brug weggehaald. Er werden al snel traangasgranaten naar binnen geschoten. ‘Ik dacht dat ik doodging. Ik zou het niet overleven, dacht ik. Het was best heftig. Er was geen eten. Dat werd met mandjes aan een touw omhoog gehaald, naar vier hoog, de Amsterdamse bevolking vulde die mandjes met voedsel. Na drie dagen werden we door de ME uit het gebouw gehaald. We werden opgesloten in de politiemanege en onze personalia werden opgeschreven. Drie maanden later moest ik voor de rechter komen, rechter Nomes. Mijn advocaat vertelde over mijn rol bij de hogeschoolbezetting en voerde mijn aandeel daarin aan als verzachtende omstandigheid. Dat hielp. Ik kreeg een kleinere geldboete dan de anderen. Die kregen f. 250,- boete.’(2)

De studenten kregen gedaan dat in het jaar na de bezetting van de KHT (1969-1970) projectonderwijs in werkgroepen werd ingevoerd. Alleen professor De Moor (sociologie) deed niet mee.

RADICALISERING.
Eén activistische student is hem bijzonder goed bijgebleven. ‘Kees de Boer was een belangrijke figuur binnen het studentenverzet. Hij was student-assistent en had een vriendin: Guusje van Daele. Hij durfde zelf niet te gaan plakken, zijn sociale vaardigheden waren zeer beperkt, hij kon geen goed gesprek voeren, geen vriendschappelijke relaties opbouwen. Hij liep altijd met een erectie rond, was altijd met zijn lid aan het rommelen via een broekzak. Het gerucht ging dat toen hij bij de KEN zat, in Rotterdam, elke vrouw die een positie binnen de beweging ambieerde, met hem het bed moest delen.

Later trok hij iedereen mee naar de KEN. De kameraadschappelijke omgang van voorheen verdween. Privéontboezemingen kwamen niet meer voor. De sfeer werd kil. Vele figuren raakten verknipt.’

Er bestond een enorme diversiteit aan politieke opvattingen en stromingen. ‘Dat was geen bezwaar aanvankelijk, de studenten slaagden er in samen te werken. (Links Front)

Er werd op zeker ogenblik, en dat ging snel, niet meer geluisterd naar andere dan de eigen argumenten. Er ontstonden animositeiten, de arrogantie van mensen die dachten dat ze het wisten, nam toe. Wie twijfels toonde over de vraag of de gevolgde koers de goede was, werd op een zijspoor gezet. Terwijl de mensen die op een zijspoor gezet werden, voorheen wel het vuile werk hadden mogen opknappen.

Ik had algauw in de gaten dat een en ander niet langer klopte. Het was niet zo dat alles werd geaccepteerd wat de linkse kameraden inviel of door hen werd opgedragen. Totdat het ze in de bol sloeg. Met de opkomst van de KEN. In korte tijd werden kameraden vreemden. Het werd hen zelfs verboden met niet-geestverwanten te praten.’

‘Er bestond een onderscheid tussen studenten die zichzelf en wat ze deden konden relativeren en studenten die zichzelf altijd buitengewoon serieus namen. Er mocht ook wel eens gelachen worden, vonden wij.’

siebelink
Albert Siebelink bij bezetting van kamer gedelegeerd curator Loevendie

—————————————————————————————–

VOETNOTEN

(1) Michel Rüpplin von Keffikon, eerstejaars student economie, droeg ook een bril. Ongetwijfeld besloeg die gedurende de autorit en de glazen werden ondoorzichtig door de regen die erop sloeg.
(2) In juni 1969 veroordeelde politierechter Gerard Nomes de Maagdenhuisbezetters tot boetes van tussen de vijf- en driehonderdvijftig gulden. De aanklacht: lokaalvredebreuk. Tegen de ‘leiders’ en ‘recidivisten’ werden celstraffen geëist. De activisten spraken van ‘klassenjustitie’ en probeerden zoveel mogelijk zand in de machine te strooien. Hein Verkerk bracht een leger advocaten op de been om de bezetters te verdedigen. Loze Kreet-lid Marian de Graaf zette een grote Greta Garbo-hoed op, trok haar kortste mini-rok aan en stond de rechter zo brutaal mogelijk te woord. Ze liep ook aan het hoofd van een stoet die Vrouwe Justitia plechtig ten grave kwam dragen. In hoger beroep werden alle straffen teruggebracht tot een boete van tweehonderd gulden. (Bron: Vrij Nederland)

Dit bericht is geplaatst in Blogs. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.