HUGO CLAUS EN RELIGIE

Geplaatst op 5 april 2008

Op 29 maart werd afscheid genomen van Hugo Claus in het Bourla Theater in Antwerpen. Enkele vrienden spraken een rede of gedicht uit bij de kist, onder andere Edwin Mortier. Het afscheid werd op teevee uitgezonden, dagbladen berichtten erover, zoals het Algemeen Dagblad:

Een venijnige noot kwam van schrijver Erwin Mortier, die stevig uithaalde naar de kerkelijke wereld die de crematie van de al tien jaar aan Alzheimer lijdende Claus niet kon afwachten om diens zelfgekozen dood de afgelopen tien dagen zwaar te kritiseren. Mortier: ,,Louter en alleen omdat de keuze van zijn levenseinde niet de hunne is, komen ze weer vanonder de plaveien gekropen en spuien hun laffe gal. De eigen morele superioriteit celebreren boven het lichaam van een geliefde dode is geen heldendaad. Meneer de kardinaal: schaam je.” Het was immers kardinaal Danneels zelf die Claus’ zelfgekozen dood ‘geen voorbeeld van een heldendaad’ noemde.

RELIGIE

Natuurlijk is het onzin. Er bestaan geen goden. Er bestaat geen God of Allah of Ganesja of wat voor hogers ook. En dat weten we. Dat weten we allemaal.

Maar het is wel mooi om te doen alsof. Het is nuttig en bruikbaar. En naarmate we het nodig hebben staan we ons toe er in te geloven. Af en toe. Even. Maar we weten dat het onzin is en dat de mens het allemaal zelf bedacht heeft en blijft bedenken.

Het leven zoals het is, is nogal zinloos. En het wordt zinlozer naarmate het moeilijker is. Het is betekenisloos en op lange termijn perspectiefloos. Een mars naar de dood. En ook als het een leuk leven is, is het een mars naar de dood. En het is vulgair, smerig en stinkend soms. Het is oorlog, ziekte, misdaad, marteling, politiek en onbegraven lijken. Soms. En op sommige plekken op aarde is het leven al lange tijd bar en boos.

Er is behoefte aan perspectief. Er is een middel om perspectief te scheppen. Er is een middel om de lelijkheid en betekenisloosheid en stank van het leven weg te moffelen. Te vervangen. Het leven met iets te stofferen dat alles mooier maakt. De illusie. En als die illusie mooi vormgegeven is en tegelijk zegt het is maar illusie, maar wel een mooie illusie, is het poëzie, en heeft de mens het hoogste bereikt wat mogelijk is.

Er is helemaal niks tegen het scheppen van illusies. Het is een van de mooiste eigenschappen die de mens aangeboren zijn.

De illusie, het verbeeldingsvermogen, kan grenzen opheffen, onbestaande perspectieven scheppen, woorden vervangen door andere woorden, zoals tijd door eeuwigheid, grens door onbegrensdheid, sterfelijkheid door onsterfelijkheid, het bestaande door het onbestaande, het begrensde begrip door het onbestaande onbegrensde begrip.

De illusie maakt stinkende lijken levend, laat kinderen geboren worden zonder bevruchting, mensen over water lopen en gewichtloos opstijgen, analfabeten boeken dicteren. Geeft mensen van vlees en bloed een ziel, geeft soms ook stenen, landschappen, planten en dieren een ziel, schept een dodenrijk, een Styx, een hemel. Het zijn mooie, troostvolle, poëtische constructies. Het is behang, het zijn meubelstukken die de kamer die leven heet, comfortabeler maken. En er zijn dienaren die die meubels afstoffen of een nieuw verflaagje geven. Hun stofdoek noemen we een preek. We betalen ze daarvoor: de onderhouders van de illusie. We noemen ze monniken, rabbijnen, imams, priesters.

Religie als illusie is fenomenaal, religie als waarheid is vulgair. De eis als waarheid erkend te worden is vulgair, lelijk en stompzinnig. Aanhangers van zo’n opgeëiste waarheid zijn de vulgairste mensen die bestaan. Monniken, rabbijnen, imams, priesters die beweren een waarheid te verkondigen, laat staan dé waarheid, zijn bespottelijk en smeken ons de draak met hen te steken.

Het hoeft niet echt te zijn, niet echt te bestaan. Leuke dingen zijn dikwijls dingen die niet bestaan. We willen niet eens dat ze echt bestaan. Maar ze zijn wel belangrijk, soms, voor sommige mensen. En dat is heel normaal.

We geloven de illusionist terwijl we weten dat hij ons voor de gek houdt. Maar stil hopen we dat hij ons niet voor de gek houdt terwijl we weten dat hij dat wel degelijk doet. Maar we beschuldigen hem niet van oplichting en leugen, want hij geeft toe dat hij ons voor de gek houdt. En hoe begaafder hij is in het ons voor de gek houden, des te meer bewonderen we hem. We zijn hem zelfs dankbaar dat hij ons voor de gek heeft willen houden. We geven hem daarvoor applaus.

We zijn de monniken, rabbijnen, imams en priesters dankbaar omdat ze bereid zijn ons voor de gek te houden. Voor hun werk in de keuken van de kunst, voor hun acteertalent, voor het koken en vakkundig opdienen van al die heerlijke en verteerbare illusies.

Wie beweert dat Jezus Christus of Mohamed of Mozes de waarheid sprak, snapt het niet of is een oplichter. En hij weet het. Wie zegt dat Jezus Christus een roeping had om ons illusies te geven, snapt het en is een dichter. Wie zegt dat Mohamed de waarheid sprak, in waarheid handelt, is of uitermate dom of een oplichter. Een machtswellusteling.

Jezus Christus was een goede theatermaker en acteur. Mozes ook. Hij had als roeping mensen iets te vertellen en ze te ontroeren door zijn visioenen. Troost te bieden met toneel.

We geloven er in zoals we in de schouwburg geloven in de werkelijkheid en waarheid van een theaterstuk. Illusie die we bewust en soms, als we gegrepen worden, onbewust toelaten als werkelijkheid. We weten dat die personages op het podium niet bestaan. Maar we doen of we geloven dat ze wel bestaan en gaan mee in hun gefingeerde werkelijkheid, in wat er wordt gezegd en gedaan.

Daarom gingen en gaan mensen naar de kerk, synagoge, tempel en moskee. Omdat het leuk is dat het bestaat. Die traditie van geloven in illusies. Omdat het plezierig is even weggehaald te worden uit het eigen benauwde bestaan met zijn kleinzieligheden, ergernissen, verveling, stopmzinnigheid, egoïsme, ruzies, armzaligheid.

Het hoeft helemaal niet te bestaan. Waarom zou het? Zo is het ook goed. Zo is het beter.

God, de goden, en de ermee verbonden rituelen zijn een middel om het leven te stofferen, zoals eten dat is, het bedrijven van de liefde, voetbal, een huisdier en boeken. Al eeuwen stofferen mensen hun leven met illusies. Nee, vanaf het moment dat ze in staat waren zich illusies te maken.

En af en toe moeten we er grappen mee uithalen, met religie. Om te laten zien dat we weten dat het illusies zijn en dat we willen dat ze dat blijven. Het onderhoud van de illusie eist dat we er af en toe mee spotten.

Zij die religie niet serieus of niet al te serieus nemen zijn oprecht. Zij die waarheid verkondigen zijn onoprecht, zijn bedriegers.

Naarmate mensen over meer middelen beschikken om hun leven te stofferen des te onbelangrijker wordt religie. Religie is een middel, een meubelstuk. Naarmate er meer meubelstukken komen die even mooi of mooier zijn, voor korte of lange tijd, wordt religie minder belangrijk. Dat is begrijpelijk en goed.

De oude Grieken wisten dat er geen goden bestonden. Ze geloofden er niet in. Maar ze offerden wel, en schreven mythen en gedichten waarin goden figureerden. Want het is wel leuk en makkelijk om te doen of ze bestaan. De Grieken konden er mooi hun eigen emoties en fantasie in projecteren. Ze lazen in wat de goden deden waar ze zelf naar verlangden. Gaven de goden die ze zelf waren, wat ze zelf niet hadden. Brachten hun leven door projecties in goden op een hoger plan. Sublimeerden hun eigen armzaligheid tot goddelijkheid. Hadden plezier in hun eigen verzinsels.

De illusie van religie koesteren is vrijwel hetzelfde als ‘s ochtends een poëziebundel in de hand nemen en een mooi gedicht lezen. Om het gemoed even op orde te brengen en de illusie van mooi weer binnen te halen ook als het regent. Als de zon schijnt in een gedicht, bestaat de regen die buiten valt even niet meer.

Godsdienst is – als ze op haar best is – poëzie. Ze mag niet de pretentie van waarheid hebben. En ze mag zich zeker niet opdringen.

Als religie geen poëzie meer is, als religie een wapen is in handen van machtsbeluste demagogen, is religie fout. En gevaarlijk. Dan is het geen religie meer maar een ideologie. En dan is ze niet van iedereen, maar van de gewetenloze enkeling. En dan zijn zij die geloven, slaven van de leugen. Van de onzin.

Wie religie serieus neemt omdat zij waar zou zijn, wie religie verabsoluteert, is een beklagenswaardige dommerik. Wie religie serieus neemt omdat het zo leuk is te doen alsof het iets voorstelt, wie met religie omgaat als met een spel, is eerlijk en moedig.

Daarom volgen zij die iets van religie begrijpen, alleen dan de richtlijnen op die religie en de bedienaren ervan voorschrijven, als het hen goed uitkomt. Daarom, dit is een voorbeeld, snappen katholieken meer van religie dan protestanten. Katholieken – goede katholieken – leven niet strikt de regels na. Ze weten dat ze de hand mogen lichten met wat de paus vanuit Rome verordonneert. Het is de paus die dat vindt. Dat mag hij. Daar is hij voor aangesteld. Het is leuk om zo iemand te hebben. Het geeft een gevoel van saamhorigheid en hij moet een zo groot mogelijke mijter en zoveel mogelijk dure ringen aan zijn vingers dragen. Hij moet vooral begaan met mensen zijn en potsierlijk. Een gezelligerd. Dat is leuk, en om het theaterstuk dat religie is, af en toe wat schwung te geven, moet hij als de meester in de klas van zijn stoel opstaan en zijn stem verheffen. Het moet niet té rumoerig worden. Want dan kan niet iedereen met zijn eigen dingen bezig zijn.

Hij moet laten zien dat hij er is. Dat is genoeg.

En voor de rest gaat iedereen zijn eigen gang.


CLAUS

Claus wees religie af. Maar hij vond het heerlijk om in zijn werk terug te schakelen naar de klassieke oudheid en te goochelen met mythen, tragedies en goden. Met goden die seksuele driften botvierden, intrigeerden, bedrogen en een uitvergroting waren van de mens. Die vorm van religie vond hij prachtig: goden als een spel in handen van de mensen. De illusie met wezens te spelen die in onze beleving (een illusie) ons lot bepalen, levert een superieur genot op.

Met de moderne religies had hij niets.

Om het eigen lot in handen te nemen en in het laatste ogenblik alle illusies op te geven: daar moet je sterk voor zijn. Daar moet je een held voor zijn. Daar voelen we bewondering voor. Maar het is niet zinvoller een held te zijn dan geen held te zijn. Een held is wie de vorm van leven vindt die bij hem hoort en daaraan vasthoudt, vooral als het erop aankomt. Is het een verdienste een held te zijn? Nee, het is een noodzaak. Een lot. Zoals elk ander lot.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Blogs. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.